WUV

CRvB 21-2-2002, 00/6123 WUV

Tewerkstelling in voormalig Nederlands-Indië.

Blijkens de gedingstukken heeft eiser in juli 1999 bij verweerster een aanvraag ingediend om onder meer toekenning van een periodieke uitkering ingevolge de Wet uitkeringen vervolgingslachtoffers 1940-1945 (verder: de Wet). In dit verband heeft eiser gesteld dat hij in april 1942 met vele anderen uit zijn desa terwijl zij stellingen voor het voormalige Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) aan het bouwen waren door de Japanse bezetter werd gevangen genomen en naar Tondano gebracht waar zij werden ondervraagd over de stellingen en de aanwezige KNIL-troepen. Dit ging gepaard met ernstige mishandelingen. Velen lieten daarbij het leven terwijl de overlevenden, waaronder eiser, naar de gevangenis van Manado werden overgebracht vanwaar zij tewerk gesteld werden op het vliegveld van Manado, tot september 1944, toen de geallieerden het vliegveld hadden gebombardeerd.

Verweerster heeft de aanvraag van eiser afgewezen bij besluit d.d. 21 maart 2000, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, primair op de grond dat niet is komen vast te staan dat eiser vervolging in de zin van artikel 2 van de Wet heeft ondergaan.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit in rechte kan standhouden.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 2, tweede lid aanhef en onder a, van de Wet wordt onder vervolging verstaan: vrijheidsberoving als gevolg van handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling.

Blijkens de gedingstukken heeft verweerster geoordeeld dat de tewerkstelling van eiser valt te plaatsen in het kader van de gedwongen burger-tewerkstelling in het voormalige Nederlands-Indië, welke was ingegeven door de grote behoefte aan arbeidskrachten van de Japanse bezetter en een algemeen karakter had. Gelet op de omstandigheid dat deze tewerkstelling ook in dit geval niet specifiek betrekking had op personen met een vermeend Europees georiënteerde instelling en gegeven het algemene karakter van de onderhavige tewerkstelling, kan de gestelde tewerkstelling niet worden begrepen onder vervolging als bedoeld in artikel 2, tweede lid onder a, van de Wet.

Wat betreft de gestelde gevangenhouding in de gevangenissen te Tandano en Manado staat verweerster op het standpunt dat internering van eiser bij gebrek aan verifieerbare gegevens op geen enkele wijze kon worden vastgesteld zodat niet is kunnen blijken dat hier van vervolging in de zin van de Wet sprake is geweest.

De Raad heeft in de voorhanden gegevens onvoldoende aanknopingspunten gevonden om dit oordeel van verweerster aan te tasten. Met betrekking tot eisers gestelde verblijf in de gevangenis zijn geen objectieve gegevens voorhanden gekomen.

Van omstandigheden die in het geval van eiser tot een ander oordeel zouden moeten leiden, is de Raad niet gebleken zodat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond bestaat.

Beroep ongegrond.

Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

Art. 2, tweede lid
CRvB 22-11-2001, 98/4331 WUV

Kibbutz-inkomen na 65ste. Ingangsdatum herziening. Ambtelijk fout.

Blijkens de gedingstukken is eiseres, geboren [in] 1920, vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet. Met ingang van 1 januari 1978 is door de voormalige Uitkeringsraad (rechtvoorganger van verweerster) aan eiseres de uitkering als bedoeld in artikel 21b (oud) van de Wet toegekend, welke uitkering door verweerster met ingang van 1 december 1991 is ingetrokken in verband met de omstandigheid dat aan eiseres ingaande genoemde datum een periodieke uitkering is toegekend. Op deze uitkering zijn door verweerster de zogenoemde kibbutz-inkomsten van eiseres met toepassing van artikel 19, eerste lid onder d, van de Wet als overige inkomsten volledig gekort. Daartoe is in aanmerking genomen dat eiseres, gezien naar de in Nederland geldende maatstaven, na het bereiken van de 65-jarige leeftijd niet geacht kan worden te zijn aangewezen op inkomsten uit arbeid, zodat de kibbutz-inkomsten als pensioenbetalingen dienen te worden aangemerkt.

Bij uitspraak van 25 juli 1996, nummer WUV 95/87, betrekking hebbende op de wijze van korting van kibbutz-inkomsten, heeft de Raad geoordeeld – samengevat – dat het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de Wet voor de uitleg van verweerster geen ruimte biedt, indien de betrokkene ook na het bereiken van de 65-jarige leeftijd nog daadwerkelijk inkomsten uit arbeid verwerft.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft eiseres verweerster bij schrijven van 18 augustus 1996 verzocht om haar periodieke uitkering met terugwerkende kracht te herzien in dier voege dat ten aanzien van haar kibbutz-inkomsten alsnog toepassing wordt gegeven aan artikel 19, eerste lid onder a, van de Wet.

Bij het thans bestreden, na bezwaar genomen, besluit heeft verweerster dit verzoek van eiseres in zoverre ingewilligd dat haar kibbutz-inkomsten vanaf 1 januari 1996 alsnog als arbeidsinkomsten op haar periodieke uitkering in mindering worden gebracht. Verweerster heeft daartoe overwogen dat voldoende is aangetoond dat eiseres ook na het bereiken van de 65-jarige leeftijd in de kibbutz werkzaam is gebleven. Verweerster heeft evenwel geen aanleiding gezien aan deze herziening verdere terugwerkende kracht te verlenen dan tot 1 januari van het jaar waarin de herziening is gevraagd.

In beroep heeft eiseres gevorderd dat de onderhavige herziening met een terugwerkende kracht tot 1 december 1991 wordt tot stand gebracht omdat bij de toekenning van haar periodieke uitkering sprake is geweest van een administratieve fout, dan wel ingaande 1 januari 1993 omdat de periodieke uitkering van eiseres vanaf die datum nog niet definitief is vastgesteld.

In dit geding staat ter beoordeling de vraag of het bestreden besluit in rechte kan stand houden. De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

Ingevolge artikel 61, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door de Uitkeringsraad genomen besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is van discretionaire aard. Dat brengt mee dat de Raad in dit geval heeft na te gaan of van verweerster moet worden gezegd dat zij niet in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen, dan wel bij haar besluit heeft gehandeld in strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel enig algemeen rechtsbeginsel.

Naar uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken, heeft verweerster hier gehandeld overeenkomstig het door haar bij herziening in het algemeen gehanteerde beleid dat de ingangsdatum daarvan wordt bepaald op de eerste dag van de maand waarin het verzoek om herziening is gedaan, met dien verstande dat om administratieve redenen – om een breuk in de kortingswijze midden in het jaar te voorkomen – is gekozen voor de eerste dag van het jaar.

Verweerster is alleen bereid tot herziening met terugwerkende kracht – en in het algemeen niet verder dan 5 jaren – indien sprake is van een haar aan te rekenen ambtelijke fout. Een zodanige fout heeft verweerster hier niet aanwezig geacht.

De Raad heeft al meermalen het door verweerster gevoerde beleid betreffende de ingangsdatum van een herziening aanvaardbaar geoordeeld. Dat in gevallen als het onderhavige om administratieve redenen voor de eerste dag van het jaar is gekozen brengt in dit oordeel geen wijziging.

In het onderhavige geval dient de Raad derhalve de vraag te beantwoorden of gezegd moet worden dat ten aanzien van het bij de toekenning van de periodieke uitkering aan eiseres met ingang van 1 december 1991 toe te passen kortingsregime sprake is geweest van een ambtelijke fout.

De Raad is niet tot een bevestigend antwoord op deze laatste vraag kunnen komen.

Uit ‘s Raads hierboven genoemde uitspraak van 25 juli 1996 blijkt dat de Raad de zienswijze van verweerster die heeft geleid tot toepassing van het boven omschreven aanvankelijke kortingsregime in gevallen als dit, heeft aangemerkt als te berusten op een onjuiste uitleg van de hier geldende wettelijke bepalingen. Niet is kunnen blijken dat verweerster welbewust en ‘tegen beter weten in’ heeft gehandeld in strijd met genoemde bepalingen. Dat verweerster voorheen mogelijk te lichtvaardig – zonder onderzoek naar de feitelijke situatie in de kibbutz als bijzondere leefgemeenschap – de Nederlandse maatstaven omtrent pensionering toepasselijk heeft geacht, acht de Raad niet voldoende om van een ambtelijke fout te kunnen spreken.

Voor toewijzing van de door eiseres in beroep naar voren gebrachte subsidiaire vordering tot terugwerkende kracht van de onderhavige herziening over de periode dat de uitkering van eiseres nog niet definitief is vastgesteld, ziet de Raad geen grond, nu in het onderhavige geval sprake is van een wijziging in het kortingsregime en niet van een wijziging van de voor de berekening van een periodieke uitkering in aanmerking te nemen feitelijke gegevens waarmee ten tijde van de definitiefstelling van de uitkering met terugwerkende kracht rekening dient te worden gehouden.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat niet kan worden gezegd dat verweerster niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot haar besluit om aan de verleende herziening geen verdere terugwerkende kracht te verbinden.

Ook overigens is niet kunnen blijken dat verweerster een besluit heeft genomen dat de bovenomschreven toetsing van de Raad niet kan doorstaan.

Beroep ongegrond.

Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

Art. 19

CRvB 22-11-2001, 98/4677 WUV

Vervoerskostenvergoeding i.v.m. volgen van psychotherapie. Afstandsbeperking vergoeding van de voor eigen rekening blijvende kosten van therapie. Hoog eigen risico o.g.v. ziektekostenverzekering.

Eiseres, geboren in 1938 in het voormalig Nederlands-Indië, is op door haar gedane aanvraag in 1997 erkend als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet. Bij genoemd besluit is aan eiseres met ingang van 1 januari 1997 een periodieke uitkering toegekend alsmede een vergoeding van onder meer de ongedekte medische kosten verbonden aan de door de behandelend geneesheer voorgeschreven medische behandeling en medicijnen verband houdende met of voortvloeiende uit de bij eiseres aanwezige met de vervolging in verband staande psychische klachten. In april 1997 heeft eiseres zich door middel van een schrijven van C., als maatschappelijk werkster verbonden aan de Vereniging Kinderen uit de Japanse Bezetting en de Bersiap 1941-1949, tot verweerster gewend met een vervolgaanvraag strekkende tot vergoeding van vervoer in verband met door haar te volgen psychotherapie alsmede vergoeding van de ingevolge haar ziektekostenverzekering, vanwege een daaraan verbonden extra eigen risico, voor eigen rekening blijvende kosten van ƒ1000,- wegens te verwachten medische kosten op fysiek en psychisch gebied.

Bij besluit van 12 februari 1998 heeft verweerster aan eiseres een vergoeding toegekend van de kosten verbonden aan vervoer per auto, taxi dan wel openbaar vervoer binnen een straal van 30 km van de woonplaats, indien dit vervoer in verband met een medische behandeling of een medisch consult met betrekking tot psychische klachten en psychotherapie noodzakelijk is. De door eiseres gevraagde voorziening ter zake van ongedekte medische kosten heeft verweerster afgewezen voor zover de kosten betrekking hebben op de bij eiseres bestaande rugklachten en knieklachten, ten aanzien van welke klachten verweerster geen verband met de vervolging heeft aanvaard. Een door eiseres gemaakt bezwaar heeft verweerster bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

Het beroep van eiseres is gericht tegen de aan de toekenning van, kort gezegd, medisch vervoer verbonden beperking tot een straal van 30 km van haar woonplaats en voorts tegen de weigering van verweerster haar ongedekte medische kosten integraal te vergoeden.

De Raad overweegt met betrekking tot de door verweerster aan de toekenning van medisch vervoer verbonden afstandsbeperking als volgt.

In geding is een aan de toekenning van medisch vervoer door verweerster in het algemeen verbonden beperking, die haar ratio vindt in de omstandigheid dat het in zijn algemeenheid mogelijk moet zijn om binnen de door verweerster gehanteerde straal van 30 km van de woonplaats van de betrokkene een gekwalificeerde therapeut te vinden. Een dergelijke aan de onderwerpelijke voorziening te verbinden algemene voorwaarde heeft de Raad steeds aanvaardbaar geacht. Ook in het geval van eiseres oordeelt de Raad voornoemde beperking niet onredelijk. Eiseres is tot haar beroep gekomen omdat zij op voorhand de vrijheid wil hebben ook buiten een straal van 30 km van haar woonplaats te zoeken naar een voor haar geschikte therapeut. De omstandigheden ten tijde hier van belang geven echter niet aan dat zij toen verkeerde in de situatie dat een voor haar geschikte therapeut binnen de aangegeven straal niet beschikbaar was.

Met betrekking tot verweersters weigering aan eiseres de ingevolge haar ziektekostenverzekering vanwege het daaraan verbonden extra eigen risico te haren laste komende ziektekosten integraal te vergoeden, overweegt de Raad het volgende. Voor zover kosten gemaakt in verband met behandeling van bij eiseres bestaande psychische klachten, waarvan verweerster een verband met de vervolging heeft aanvaard, niet worden vergoed ingevolge de door eiseres tot stand gebrachte ziektekostenverzekering, komen deze kosten ingevolge voornoemd besluit van 1 december 1997 op grond van de Wet voor vergoeding in aanmerking. Een dergelijke vergoedingsregeling in combinatie met een deugdelijke ziektekostenverzekering bewerkstelligt naar het oordeel van de Raad dat geen kosten in verband met een reguliere behandeling van de bij eiseres bestaande met de vervolging samenhangende psychische klachten ongedekt blijven. Het door verweerster in dit kader gehanteerde uitgangspunt dat bij een deugdelijke ziektekostenverzekering geen hoger eigen risico van specialistische hulp past dan een bedrag van maximaal ƒ 750,- of ter hoogste 20% van de kosten, acht de Raad alleszins aanvaardbaar.

In aanmerking genomen dat het eiseres blijkens de voorhanden gegevens vrijstond het aan haar ziektekostenverzekering verbonden extra eigen risico te verminderen, zijn in dit geval geen bijzondere omstandigheden aanwezig die verweerster tot een andere opstelling hadden moeten brengen.

Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster derhalve op goede gronden geweigerd de binnen het eigen risico van de door eiseres afgesloten ziektekostenverzekering vallende kosten integraal te vergoeden.

De Raad voegt daaraan nog het volgende toe. Naar de Raad uit de gedingstukken en het behandelde ter zitting is gebleken, heeft eiseres met haar aanvraag in wezen beoogd om, via een omweg, vergoeding te krijgen van kosten verbonden aan alternatieve geneeswijzen en medicijnen, die op grond van haar ziektekostenverzekering niet voor vergoeding in aanmerking komen. Aangezien het bestreden besluit niet handelt over alternatieve geneeswijzen en, gezien de inhoud van de onderhavige aanvraag, niet daarover behoefde te handelen, kan ook de Raad daarover echter geen oordeel geven.

Beroep ongegrond.

Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

Art. 20

CRvB 13-12-2001, 01/2703 WUV-VV

Tegemoetkoming begeleide reïntegratie in een reguliere arbeidssituatie.

Uit dit geding blijkt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiser met ingang van juli 2001 een tegemoetkoming voor begeleide integratie in een reguliere arbeidssituatie toekent.

Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

Art. 20

CRvB 20-12-2001, 98/7248 WUV

Uitbreiding vergoeding sociaal vervoer. Afwezigheid openbaar vervoer.

Blijkens de gedingstukken was betrokkene vervolgde in de zin van de Wuv en is aanvaard dat betrokkenes psychische klachten en chronische reuma in het door de Wet vereiste verband met de ondergane vervolging stonden.

Aan betrokkene is op grond van artikel 7 van de Wuv per 1 januari 1990 een periodieke uitkering toegekend. Voorts zijn bij besluit van 21 mei 1992 aan betrokkene op grond van artikel 20 van de Wet vergoedingen toegekend ter zake van de kosten van aanschaf van een auto met automatische transmissie en de kosten voor sociaal vervoer tot 5.000 kilometer per jaar. Bij besluit van 19 februari 1997 is wederom een vergoeding verleend ter zake van aanschafkosten van een auto.

In juni 1997 heeft betrokkene bij verweerster een vervolgaanvraag om uitbreiding van de vergoeding voor sociaal vervoer ingediend.

Betrokkene heeft daartoe aangevoerd dat zij inmiddels was verhuisd naar [B.], alwaar in het geheel geen openbaar vervoer aanwezig is zodat zij, mede in verband met haar slechte gezondheid, voor alle verplaatsingen op vervoer per auto is aangewezen.

Die aanvraag heeft verweerster bij besluit van 27 oktober 1997, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, afgewezen onder de – mede aan ter zake uitgebracht medisch advies ontleende – overweging dat een vergoeding tot 5.000 km nog steeds adequaat is te noemen. Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat ingevolge de Wet alleen extra vervoerskosten, boven de normaal te achten kosten, vergoed kunnen worden.

In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe overweegt de Raad het volgende.

Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen is het beleid van verweerster om de kilometrage waarnaar de bijdrage voor sociaal vervoer (ƒ 166,- per maand bij een auto zonder automaat) wordt toegekend, te weten 5.000 kilometer per jaar, in overeenstemming met ook elders in het kader van de sociale wetgeving voor gevallen als het onderhavige gehanteerde normen.

Indien sprake is van omstandigheden die grond bieden voor het oordeel dat 5.000 kilometer voor sociale contacten onder de maat van artikel 20 van de Wet zouden liggen, kan er aanleiding zijn om van voornoemd beleid af te wijken.

De Raad stelt vast dat verweerster in dezen overeenkomstig genoemd beleid heeft gehandeld. De Raad acht voorts niet gebleken van bijzondere omstandigheden die verweerster tot afwijking van het beleid hadden moeten leiden.

Terecht heeft verweerster overwogen dat het bij de onderhavige vergoeding alleen kan gaan om extra kosten, aangezien tot zekere hoogte kosten van vervoer voor maatschappelijke doeleinden voor een ieder gebruikelijk zijn te achten en derhalve voor eigen rekening moeten blijven.

Voorts is verweerster er blijkens de gedingstukken ook al eerder vanuit gegaan dat betrokkene niet van het openbaar vervoer gebruik kon maken; de verhuizing van betrokkene naar [B.] en de afwezigheid van openbaar vervoer aldaar kan derhalve op zichzelf niet een grondslag bieden voor verhoging van de toegekende voorziening voor sociaal vervoer.

Beroep ongegrond.

Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

Art. 20

CRvB, 13-12-2001, 00/5500 WUV

Aanvraag ‘extra’ vakantie. Het maken van (dag)uitstapjes laat geen regulier vakantiepatroon zien. I.c. geen ‘extra’ vakantie.

In januari 2000 heeft eiser aan verweerster verzocht om hem in aanmerking te brengen voor een bijzondere voorziening terzake van een vergoeding of tegemoetkoming in de kosten verbonden aan extra vakantie voor zijn gezin. Verweerster heeft deze aanvraag van eiser afgewezen.

De Raad staat voor de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Hij overweegt daartoe als volgt.

De Raad neemt bij zijn oordeelsvorming betreffende de in beroep aan de orde zijnde voorziening tot uitgangspunt dat verweerster, zoals zij bij verweerschrift heeft doen aanvoeren, de afwijzing daarvan in hoofdzaak heeft gebaseerd op de overweging dat bij eiser met betrekking tot het houden van vakantie geen sprake is van extra kosten als bedoeld in de artikelen 20 en 21 van de Wet nu eiser de laatste twee jaren voorafgaand aan het jaar van aanvraag geen aaneengesloten periode van betekenis op vakantie is geweest maar heeft volstaan met het maken van enkele dagtochtjes.

Blijkens het aan verweerster uitgebrachte medisch advies d.d. 8 mei 2000 is de geneeskundig adviseur van de Pensioen- en Uitkeringsraad P. tot de zienswijze gekomen dat voor extra vakantie in verband met eisers causale psychische klachten (evenals in het verleden reeds werd vastgesteld) geen medische maar wel een medisch-sociale indicatie in de zin van artikel 21 van de Wet aanwezig is.

Deze vaststelling leidt echter niet zonder meer tot de conclusie dat verweerster in het geval van eiser voor de onderhavige voorziening een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 21 van de Wet had moeten verlenen.

In zijn jurisprudentie met betrekking tot een voorziening als hier aan de orde heeft de Raad zich met de opvatting van verweerster verenigd dat eerst dan sprake is van extra kosten in de zin van artikel 20 dan wel artikel 21 van de Wet, indien de betrokkene kan wijzen op een regulier vakantiepatroon. Daaronder wordt in het algemeen verstaan een jaarlijkse vakantie, die ten minste een periode van twee weken beslaat, zij het dat verweerster daartoe ook uitstapjes en (lange) weekends rekent, mits deze vergelijkbaar zijn met een veertiendaagse vakantie.

Eiser heeft in bezwaar en beroep aangevoerd, dat hij, gezien zijn financiële positie, onmogelijk een vakantiepatroon met echtgenote en kinderen, zoals verweerster bedoelt, kan laten zien en dat hij hooguit enkele (dag)uitstapjes maakt. Hij blijft het oneens met de door verweerster gestelde criteria bij de toekenning van extra vakantie.

Ook de Raad ziet op grond van hetgeen door eiser in dit geding naar voren is gebracht, niet in dat in eisers geval sprake is van extra kosten nu hij geen geregeld vakantiepatroon kan laten zien. De onderhavige aanvraag heeft derhalve niet betrekking op een extra vakantie, te genieten naast een algemeen, normaal gebruikelijk te achten jaarlijkse vakantie. Nu geen sprake is van extra kosten in de zin van artikel 20 en 21 van de Wet ter zake van vakantie, is geen basis aanwezig voor een vergoeding van dan wel tegemoetkoming in de hiermee samenhangende kosten.

Beroep ongegrond.

Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

Art. 20 en 21

CRvB 20-12-2001, 98/7761 WUV

Sociaal vervoer, massage, verblijf in kuuroord.

Blijkens de gedingstukken is eiser, geboren in 1936, vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. In het verleden is aanvaard dat eisers psychische klachten in het door de Wet vereiste verband staan met de door hem ondergane vervolging.

In januari 1998 heeft eiser bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend om toekenning van bijzondere voorzieningen terzake van – voorzover nog van belang – vervoer voor het onderhouden van sociale contacten (hierna: sociaal vervoer), massage en verblijf in een kuuroord.

Verweerster heeft bij het, na bezwaar genomen, bestreden besluit alsnog op grond van artikel 21 van de Wet aan eiser een tegemoetkoming in de kosten van sociaal vervoer verleend. Bij dit besluit is de afwijzing van de gevraagde voorzieningen terzake van massage en verblijf in een kuuroord gehandhaafd, onder overweging dat deze voorzieningen het algemeen welbevinden weliswaar gunstig zouden kunnen beïnvloeden maar dat geen sprake is van strikt medisch noodzakelijke en gangbare behandelmethoden met betrekking tot eisers psychische klachten. Blijkens de gedingstukken heeft verweerster daarbij laten wegen dat de onderhavige behandelingen geen onmisbaar onderdeel vormen van een psychiatrische behandeling van eisers causale psychische klachten.

In beroep is door en namens eiser aangevoerd dat de voorziening terzake van sociaal vervoer ten onrechte niet als medische voorziening in de zin als bedoeld in artikel 20 van de Wet is verleend. Voorts is aangevoerd dat uit de in bezwaar overgelegde verklaringen van de huisarts H. en de behandelend arts S., die zich richt op algemene en antroposofische geneeskunde en gesprekstherapie, wel degelijk blijkt dat de massages en het verblijf in een kuuroord op grond van psychische klachten zijn aangewezen.

Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Dienaangaande wordt overwogen als volgt.

Ten aanzien van sociaal vervoer.

In de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van verweerster is aangegeven dat eiser met openbaar kan reizen zodat geen medische noodzaak bestaat voor een vergoeding als bedoeld in artikel 20 van de Wet van de kosten van het onderhouden van sociale contacten. Ten laatste is wel – op basis van de verklaring van de arts S. voormeld – aanvaard dat bij eiser sprake is van een verhoogde behoefte aan sociale contacten zodat een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 21 van de Wet in de daartoe te maken extra kosten op zijn plaats is.

De Raad heeft in de voorhanden medische en andere gegevens geen enkel aanknopingspunt gevonden om aan de juistheid van dit, door verweerster gevolgde medisch oordeel te twijfelen. Ook door eiser is op zich niet betwist dat hij in het algemeen van het openbaar vervoer kan gebruikmaken. Alsdan kan voor de toekenning van een vergoeding op grond van artikel 20 van de Wet, welk artikel betrekking heeft op kosten van geneeskundige behandeling en verpleging en de daarmee direct verband houdende extra kosten van noodzakelijke voorzieningen, geen grondslag bestaan.

Ten aanzien van massage en verblijf in een kuuroord.

Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting staat verweerster op het standpunt dat in een geval als het onderhavige verstrekking van voorzieningen terzake van massages en verblijf in een kuuroord – als zijnde geen gangbare behandelmethoden van psychische klachten – alleen dan aan de orde kan zijn indien deze behandelingen als onmisbaar onderdeel zijn ingebed in een lopende psychiatrische behandeling.

De Raad acht deze opvatting van verweerster in overeenstemming met een redelijke uitleg en toepassing van de artikelen 20 en 21 van de Wet.

Vaststaat voorts dat eiser ten tijde hier van belang niet onder psychiatrische behandeling stond. Uit de verklaring van de arts S. blijkt overigens niet meer dan dat massage en verblijf in een kuuroord een gunstige uitwerking hebben bij stressbestrijding. Mitsdien kan de Raad het bestreden besluit ook op dit punt niet aantasten. Voor inwilliging van het namens eiser kort voor de zitting ingediende, ter zitting nog toegelichte verzoek om aanhouding van de zaak teneinde nadere medische expertise in te winnen, bestaat in verband met het in dezen geldende uitgangspunt geen aanleiding.

Beroep ongegrond.

Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

Art. 20 en 21

CRvB 21-2-2002, 00/5751 WUV

Aanschaf personal computer, mede t.b.v. vrijwilligerswerk. Overschrijding wettelijke beslistermijn.

Blijkens de gedingstukken is eiser vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet. In dat verband is aanvaard dat de psychische klachten van eiser in het door de Wet gevorderde verband met de vervolging staan.

In maart 2000 heeft eiser bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend om krachtens de Wet in aanmerking te worden gebracht voor een vergoeding van dan wel tegemoetkoming in de kosten verbonden aan de aanschaf van een computer en een daarbij behorende printer, te gebruiken ten behoeve van zijn vrijwilligerswerk binnen onder meer de Joodse Gemeente te [B.].

Verweerster heeft dit verzoek afgewezen bij besluit van 31 mei 2000, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat de uit de vervolging voortvloeiende psychische klachten geen medische noodzaak dan wel medisch-sociale wenselijkheid voor de gevraagde voorziening opleveren; meer in het algemeen is overwogen dat de aanschaf van een personal computer een algemeen gebruikelijke voorziening betreft die geen extra kosten in de zin van de Wet met zich meebrengt.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de aanschaf van een nieuwe moderne personal computer ten behoeve van zijn vrijwilligerswerk extra kosten met zich meebrengt, nu hij al een computer heeft, een type ‘486’. Deze is echter te zeer verouderd en te vaak bezet door overige gezinsleden om voor zijn vrijwilligerswerk te kunnen gebruiken.

Voorts is eiser van mening dat de gevraagde voorziening hem toegekend moet worden omdat de wettelijke beslistermijn van in totaal maximaal 17 weken zoals neergelegd in artikel 43 van de Wet, bij de totstandkoming van het bestreden besluit is overschreden.

De Raad heeft in dit geding de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Hij overweegt daartoe als volgt.

De Raad onderschrijft het standpunt van verweerster – in het midden gelaten de vraag of de uit de vervolging voortvloeiende psychische klachten voor de gevraagde voorziening een medische noodzaak dan wel medisch-sociale wenselijkheid opleveren – dat de kosten verbonden aan de aanschaf van een personal computer (en toebehoren), voor personen die maatschappelijk en financieel in een vergelijkbare positie als eiser verkeren, geacht moeten worden te behoren tot de algemeen gebruikelijke kosten van het bestaan en derhalve niet kunnen worden aangemerkt als extra kosten als bedoeld in artikel 20 en 21 van de Wet. Naar eiser heeft medegedeeld beschikt hij ook over een computer.

Voor de Raad is niet komen vast te staan dat eiser ten behoeve van zijn vrijwilligerswerk zou zijn aangewezen op een andersoortige computer, die gezien naar vermogen en prestaties niet als algemeen gebruikelijk is aan te merken.

Met betrekking tot eisers opvatting dat de gevraagde voorziening hem reeds toegekend moet worden omdat de wettelijke beslistermijn is overschreden stelt de Raad het volgende.

Aan de hand van de gedingstukken staat voor de Raad genoegzaam vast dat de wettelijke beslistermijn zoals neergelegd in artikel 43 van de Wet, niet door de PUR in acht is genomen. Daar aan overschrijding van deze termijn echter geen sanctie is verbonden, is de PUR niet zonder meer gehouden de gevraagde voorziening aan eiser toe te kennen zoals door eiser is gesteld. Hierbij merkt de Raad op, dat het eiser vrij had gestaan om ingevolge artikel 6:2 Algemene wet bestuursrecht wegens het niet tijdig nemen van een besluit beroep in te stellen van welke mogelijkheid hij overigens geen gebruik heeft gemaakt.

Beroep ongegrond.

Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

Art. 20 en 21