WUBO

CRvB 22-11-2001, 98/6730 WUBO

Directe betrokkenheid bij bombardementen.

In mei 1997 heeft eiseres, geboren [in] 1935, verweerster verzocht om haar te erkennen als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en haar een periodieke uitkering, een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet, en enige voorzieningen toe te kennen. Daartoe heeft eiseres gesteld dat zij psychische klachten heeft gekregen ten gevolge van de oorlogservaringen die zij aan haar aanvraag ten grondslag heeft gelegd.

Bij besluit van 21 oktober 1997, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster op deze aanvraag afwijzend beslist. Daartoe is overwogen dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer zoals vermeld in artikel 2, eerste lid, onder a en b, van de Wet.
In beroep heeft eiseres te kennen gegeven dat het bestreden besluit niet juist is, voor zover verweerster ervan is uitgegaan dat eiseres niet betrokken is geweest bij met de krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of omstandigheden in de zin van artikel 2, eerste lid, onder a, van de Wet. In dit verband is gewezen op de door eiseres overgelegde historische gegevens omtrent de bombardementen op Rotterdam die eiseres gegeven haar woonplaats in de oorlogsjaren heeft meegemaakt.
De Raad dient in dit geding te beoordelen of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Dienaangaande overweegt de Raad, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, als volgt.
De Raad stelt, overeenkomstig zijn constante jurisprudentie in dezen, voorop dat algemene oorlogsomstandigheden – waaraan in de oorlogsjaren eenieder in meerdere of mindere mate heeft blootgestaan – niet zijn aan te merken als calamiteiten in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet.
Indien, zoals in het onderhavige geval, aan een aanvraag ten grondslag is gelegd dat betrokkene bombardementen heeft meegemaakt, dient op basis van al hetgeen is komen vast te staan omtrent de betreffende gebeurtenissen te worden beoordeeld of er in het voorliggende concrete geval sprake is geweest van betrokkenheid bij calamiteiten in de zin van de Wet. Bij deze individuele beoordeling kunnen, zoals de gemachtigde van verweerster ter zitting terecht heeft opgemerkt, vele factoren een rol spelen, zoals de afstand van betrokkene tot de explosies, de kracht van de explosies, de aard van de schuilplaats waar betrokkene tijdens het bombardement verbleef, de omvang en aard van de aanval, het soort bommen dat is gebruikt, de materiële schade die in de directe omgeving van betrokkene is aangericht, en voorts is van belang de vraag of betrokkene al dan niet gewond is geraakt of is geconfronteerd met de verwonding of het omkomen van naasten.
In het sociaal rapport dat door de Stichting 1940-1945 is opgesteld naar aanleiding van de aanvraag van eiseres, is vastgelegd dat eiseres heeft verklaard dat zij in mei 1940 het bombardement op Rotterdam heeft meegemaakt en dat zij zich kan herinneren dat zij met haar ouders in een kast zat en dat zij het gierende geluid van de bommen en de ontploffingen rondom hoorde. In aanvullende verklaringen heeft eiseres aangegeven dat zij ook na mei 1940 nog een groot aantal bombardementen op Rotterdam heeft meegemaakt.
De Raad leidt uit de gedingstukken af dat eiseres gedurende de oorlogsjaren 1940-1945, met uitzondering van de periode juni 1942 tot januari 1943 en de periode na november 1944, bij haar ouders aan de [P.straat] in Rotterdam woonde en dat eiseres in hoofdzaak vanaf die plaats bombardementen op Rotterdam heeft meegemaakt. Verder neemt de Raad als vaststaand aan dat er in de oorlogsjaren tengevolge van de bombardementen op Rotterdam geen schade is aangericht aan het huis en in de straat waar eiseres woonde.
Eiseres heeft aangegeven dat bij het bombardement op Tussendijken van 31 maart 1943 het huis van een broer van de moeder van eiseres is verwoest, maar dat daarbij geen familieleden zijn gedood of gewond geraakt. Ook bij de andere bombardementen die eiseres heeft meegemaakt, is geen van haar familieleden gedood of gewond geraakt.
Met inachtneming van het voorgaande kan de Raad uit de gedingstukken, tezamen en in onderling verband bezien, niet afleiden dat eiseres direct betrokken is geweest bij een of meer bombardementen op Rotterdam, zodat er onvoldoende substraat is om aan te nemen dat zich ten aanzien van eiseres een calamiteit heeft voorgedaan die valt onder het bereik van artikel 2, eerste lid, onder a, van de Wet. Aan het voorgaande kan niet afdoen dat, naar de Raad wil aannemen, op eiseres van de frequente bombardementen op Rotterdam, en ander oorlogsgeweld, een ernstige dreiging is uitgegaan. Nu niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van directe betrokkenheid in de hiervoor bedoelde zin, moet deze dreiging, niettegenstaande de jeugdige leeftijd die eiseres in de oorlogsjaren had, worden beschouwd als een algemene oorlogsomstandigheid, die niet onder het toepassingsbereik van de Wet kan worden gebracht.
Beroep ongegrond.

Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers

Art. 2

Van mevrouw mr. A.H. Punt-Koopmans, die als advocaat betrokken was bij bovenstaande zaak, ontvingen wij het navolgende commentaar op deze uitspraak:

“Blijkens de gedingstukken heeft eiseres (1935) haar aanvraag gebaseerd op haar directe betrokkenheid bij bombardementen op Rotterdam gedurende de oorlogsjaren met uitzondering van de periode juni 1942 tot januari 1943. Daartoe is van de zijde van eiseres ondermeer aangevoerd dat er vele bombardementen op korte tot zeer korte afstand hebben plaatsgevonden. Eiseres had daarvan door eigen uitgebreid onderzoek een goed overzicht gemaakt.

De PUR hanteerde in eerste instantie het argument dat geen bommen binnen een straal van 150 meter van de woning van eiseres waren gevallen. Later werd door de PUR gesteld dat geen sprake was van directe betrokkenheid omdat er geen schade en persoonlijke ongelukken hadden plaatsgevonden. In de contramemorie werd gesteld dat de afstand van de bombardementen een indicatie vormen bij de beoordeling van de directe betrokkenheid. In de uitspraak CRvB 97/11394 WUBO was één bombardement binnen een straal van 150 meter, waarbij enkele doden en gewonden vielen en woningen in de directe omgeving werden beschadigd, voldoende voor aanname van een directe betrokkenheid.

In de uitspraak CRvB 95/7868 WUBO was één bombardement op 5 minuten loopafstand niet voldoende. Ook een bombardement op 5 kilometer afstand was niet voldoende: CRvB 96/2606 WUBO.

In het geval van eiseres was er sprake van vele bombardementen gedurende een periode van enkele jaren. Enkele bommen vielen binnen de straal van 150 meter van haar woonhuis, vele vielen binnen een straal van 500 meter. Daarbij vielen doden en gewonden en werd veel schade aan woonhuizen in naastgelegen straten aangericht. Ook werd het huis van moeders broer verwoest, maar daarbij werd niemand gedood of verwond.

In de uitspraak van eiseres overweegt de Centrale Raad dat voor de beoordeling van de directe betrokkenheid vele factoren een rol spelen, zoals de afstand van de betrokkene tot de explosies, de kracht van de explosies, de aard van de schuilplaats waar betrokkene tijdens het bombardement verbleef, de omvang en aard van de aanval, het soort bommen dat is gebruikt, de materiële schade die in de directe omgeving van betrokkene is aangericht, en voorts de vraag of betrokkene al dan niet gewond is geraakt of is geconfronteerd met de verwonding of het omkomen van naasten.

De Centrale Raad wijst directe betrokkenheid van eiseres af omdat er door de bombardementen geen schade is aangericht aan het huis en in de straat waar zij woonde. De Centrale Raad gaat kennelijk niet meer uit van een straal van 150 meter. In het geval van eiseres was in de straat om de hoek, maar wel binnen een straal van 150 meter, veel schade aan woningen aangericht en waren doden gevallen. Voorts overweegt de Centrale Raad dat bij de bombardementen geen van haar familieleden gedood of gewond zijn geraakt. De frequente bombardementen op Rotterdam en ander oorlogsgeweld, werd als algemene oorlogsomstandigheid buiten toepassingsbereik van de Wet geoordeeld. Hiermee lijken de criteria voor de beoordeling van de directe betrokkenheid bij bombardementen in vergelijking met de hiervoor genoemde jurisprudentie, verder te zijn teruggeschroefd.”

CRvB 29-11-2001, 98/4022 WUBO en 98/7631 WUBO

Directe betrokkenheid bij bombardementen. Gebruik van afweergeschut.

In mei 1995 heeft eiseres, geboren [in] 1939, een verzoek ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en om toekenning van een periodieke uitkering alsook, bij wege van voorziening, een integrale autokostenvergoeding. Daartoe heeft eiseres gesteld dat zij gezondheidsklachten heeft overgehouden aan een viertal door haar beschreven oorlogservaringen.

Bij besluit van 31 mei 1996, in bezwaar gehandhaafd bij het thans als eerste bestreden besluit, heeft verweerster dat verzoek afgewezen, overwegende dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer, zoals vermeld in artikel 2, eerste lid, onder a en b, van de Wet.

In januari 1998 heeft eiseres aanvullend een verzoek ingediend om toekenning van een vergoeding van of tegemoetkoming in de kosten verbonden aan het vervoer in verband met psychotherapie.

Bij besluit van 22 april 1998, in bezwaar gehandhaafd bij het thans als tweede bestreden besluit, heeft verweerster dat verzoek afgewezen, reeds omdat eiseres niet als burger-oorlogsslachtoffer is erkend. In beroep heeft eiseres te kennen gegeven dat het als eerste bestreden besluit niet juist is, voorzover verweerster daaraan ten grondslag heeft gelegd dat het plaatsen en het gebruik van afweergeschut in de omgeving van het ouderlijk huis van eiseres (één van de vier door eiseres beschreven oorlogservaringen) niet kan worden gezien als een calamiteit in de zin van artikel 2, eerste lid, onder a en b, van de Wet. Naar het oordeel van eiseres heeft verweerster dienaangaande ten onrechte overwogen dat het plaatsen van dergelijk geschut niet tegen eiseres persoonlijk was gericht en – bovendien – uit de ten dienste staande gegevens niet is gebleken dat in de directe omgeving van het ouderlijk huis een vliegtuig of bom is neergekomen. Ten aanzien van het als tweede bestreden besluit heeft eiseres in beroep aangevoerd dat zij dat beroep heeft ingesteld tot behoud van rechten.

Het eerste geschil is toegespitst op de vraag of is voldaan aan de in artikel 2, eerste lid, onder a, van de Wet omschreven voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogs-slachtoffer, waaronder, voor zover hier van belang, wordt verstaan degene, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 als burger lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen bij met de krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of omstandigheden, ten gevolge van welk letsel hij blijvend invalide is geworden. Hierbij tekent de Raad aan dat deze bepaling – anders dan bij artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet – niet ook vereist dat de handelingen of maatregelen (door of namens de vijandelijke bezettende machten) tegen diegene werden gericht.

De Raad stelt, overeenkomstig zijn vaste jurisprudentie in zaken als deze, voorop dat algemene oorlogsomstandigheden – waaraan (vrijwel) iedereen gedurende de oorlogsjaren in meerdere of mindere mate heeft blootgestaan – niet zijn aan te merken als met de krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of omstandigheden. Met de Wet is niet bedoeld iedere burger die is getroffen door oorlogsgeweld tegemoet te komen op de wijze als daarin voorzien; alleen de zwaarst getroffenen behoren tot de doelgroep. Artikel 2 van de Wet wordt dan ook strikt uitgelegd om te voorkomen dat het personen gaat omvatten die niet tot de doelgroep kunnen worden gerekend.

Als vaststaand moet worden aangenomen dat tijdens de oorlogsjaren tussen de ouderlijke, aan de toenmalige Amstelveenscheweg te Amsterdam gelegen woning van eiseres en de oostelijke kop van de Bosbaan in het nabijgelegen Amsterdamse Bos, op circa 80 meter afstand van die woning, door de Duitsers zwaar luchtafweergeschut (FLAK) met zoeklichten in/op een of meer bunkertjes is geplaatst waarvan dagelijks, dat wil zeggen vooral ’s nachts, gebruik werd gemaakt tegen bommenwerpers en andere vliegtuigen van de geallieerden waarop vooral de nabijgelegen luchthaven Schiphol een grote aantrekkingskracht uitoefende. Er zijn dan ook herhaaldelijk vliegtuigen neergehaald en zeker vier daarvan zijn neergestort in het Amsterdamse Bos, één op enkele honderden meters van het ouderlijk huis. Voorts zijn ook delen van al dan niet geraakte vliegtuigen en bommen neergekomen in de omgeving van Amstelveen. Het gebruik van de FLAK is gepaard gegaan met intens lawaai en gedreun; de ouderlijke woning stond te trillen op haar grondvesten en de vensterruiten moesten worden beschermd met houten schotten.

Eiseres heeft bij haar standpunt benadrukt dat de gebeurtenissen niet elk op zich los van elkaar mogen worden bezien, maar in hun onderlinge verband moeten worden beoordeeld. Doorslaggevend acht zij dan ook het grootschalige karakter van de luchtoorlog rond Schiphol alsook de korte afstand tussen het ouderlijk huis en enerzijds de permanent werkende FLAK, anderzijds de plaatsen waar vliegtuigen of delen daarvan en bommen zijn neergekomen. Voorts heeft eiseres hierbij ter zitting nog aangetekend dat wat het criterium directe betrokkenheid betreft verweerster ten aanzien van de oorlog in Nederland met betrekking tot de bewijslast voor betrokkenheid bij calamiteiten een andere, dat wil zeggen minder ruimhartige, benadering toepast dan ten aanzien van de oorlog en met name de zogenoemde Bersiap-periode in voormalig Nederlands-Indië, door bij de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder f, gelezen in samenhang met a, van de Wet voldoende te achten dat is komen vast te staan dat de betrokkene woonde in een gebied (wijk) waar bombardementen hadden plaatsgevonden en dat door één of meer getuigen was bevestigd dat de betrokkene daar ten tijde van die bombardementen verbleef.

Verweerster heeft ter zitting ter toelichting op het eerste bestreden besluit naar voren gebracht dat de beschrijving door eiseres van haar oorlogservaringen niet helder en concreet is, dat eiseres ten tijde van de sociale rapportage in juli 1995 heeft aangegeven zich slechts flarden van gebeurtenissen te kunnen herinneren en dat zij die gebeurtenissen niet goed in de tijd weet te plaatsen, terwijl de verklaringen van de vader en een broer van eiseres niet in positieve zin kunnen bijdragen aan de beantwoording van de vraag of er sprake is van directe betrokkenheid.

De Raad staat voor de vraag of de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

Aannemelijk is dat eiseres zich ondanks haar nog jeugdige leeftijd bedreigd heeft gevoeld als gevolg van de hiervoor in het kort beschreven ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog en daaronder ook heeft geleden. In het hebben van bedreigende oorlogservaringen onderscheidt eiseres zich helaas niet van vele anderen. Om onder het toepassingsbereik van artikel 2, eerste lid, onder a, van de Wet te vallen is evenwel directe betrokkenheid bij met de krijgsverrichtingen verbonden handelingen of omstandigheden vereist. Van het neerkomen van al dan niet geraakte geallieerde vliegtuigen en/of delen daarvan en/of bommen in de directe omgeving van de ouderlijke woning van eiseres kan naar het oordeel van de Raad niet worden gesproken. Van bomexplosies op korte afstand van het ouderlijk huis is ook geen gewag gemaakt en van materiële schade, doden en/of gewonden als gevolg daarvan evenmin. Het vooral ’s nachts veelvuldig gebruik van de door de Duitsers achter de spoorlijn achter de tuinen van de volgens de overgelegde tekeningen voor het overgrote deel aan elkaar gebouwde woningen aan de overzijde van de Amstelveenscheweg, hemelsbreed op circa 80 meter van de ouderlijke woning van eiseres geplaatste FLAK en de vatbaarheid daarvan alsook de directe omgeving daarvan voor geallieerde bommen in een poging die FLAK uit te schakelen, is zonder meer bedreigend. Echter, dat gebruik en die vatbaarheid kunnen de Raad onder de gegeven omstandigheden niet brengen tot de conclusie dat hier niet meer van een algemene oorlogsomstandigheid sprake is, doch moet worden gesproken van directe betrokkenheid van eiseres. De Raad tekent hierbij aan dat het gebruik van de FLAK veelal ’s nachts op een afstand van 80 meter niet zonder meer op één lijn kan worden gesteld met een bomexplosie op korte afstand, nog daargelaten de soort en de kracht van de bom. Vergelijking met de bomexplosiegevallen in de twee door eiseres ter zitting aangehaalde uitspraken van de Raad leiden niet tot een ander oordeel, evenmin als vergelijking met andere, de Raad ambtshalve bekende gevallen waarin bomexplosies een rol hebben gespeeld. De aanwezigheid van de luchthaven Schiphol in de omgeving van Amsterdam en de grootschaligheid van de bombardementen daarop zijn als oorlogsomstandigheden te zeer van algemene aard om te kunnen bijdragen aan het invullen van de eis van directe betrokkenheid.

Eiseres heeft haar stelling dat verweerster in vergelijking met met name de Bersiapperiode in voormalig Nederlands-Indië bij calamiteiten als in dit geval bombardementen in Nederland een minder ruimhartige benadering van het criterium directe betrokkenheid toepast, niet onderbouwd door het overleggen van een of meer beslissingen van verweerster. Het is de Raad dan ook niet mogelijk na te gaan of haar stelling juist is. De Raad is evenmin ambtshalve bekend met een ruimhartiger benadering door verweerster op dat punt.

Gezien het vorenstaande acht de Raad voor vernietiging van de bestreden besluiten onvoldoende grondslag aanwezig.

Beroep ongegrond.

Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers

Art. 2

CRvB 29-11-2001, 00/6713 WUBO

Verblijf in kampong Djeneng is geen onderduik. Verblijf in opvangkamp Semarang.

Eiser, geboren in 1938, heeft een Wubo-aanvraag ingediend. Deze aanvraag is door de PUR afgewezen.

Als relevante ervaringen tijdens Japanse bezettingsperiode heeft eiser naar voren gebracht dat hij ondergedoken was in kampong Djeneng bij Semarang, dat het na de Japanse capitulatie zeer onrustig en onveilig was en dat Nederlanders door Pemoeda’s werden vermoord. Voorts heeft eiser aangegeven dat hij naar een door Engelse militairen bewaakt beschermingskamp is gevlucht en dat hij naar Soerabaja werd overgebracht. In Soerabaja bewoonde hij een leegstaand huis alwaar hij beschietingen heeft meegemaakt.

Verweerster heeft het door eiser genoemde verblijf in kampong Djeneng niet aangemerkt als onderduik om aan handelingen of maatregelen van de bezettende macht te ontkomen. De vermelde huiszoekingen in de woning in deze kampong heeft verweerster niet aangemerkt als calamiteiten in de zin van de Wet, aangezien deze huiszoekingen niet tegen eiser persoonlijk waren gericht en er evenmin sprake was van excessief geweld.

Met betrekking tot de door eiser gestelde mishandeling door Pemoeda’s is verweerster van oordeel dat hiervan buiten eisers eigen verklaring geen bevestiging is verkregen. Voorts heeft verweerster het verblijf van eiser in een opvangkamp in Semarang niet aangemerkt als gevolg van een maatregel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f, van de Wet, terwijl eisers betrokkenheid bij beschietingen in Soerabaja niet is komen vast te staan.

Verweerster is op grond van het vorenstaande tot het oordeel gekomen dat eiser niet kan worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van artikel 2 van de Wet.

De Raad heeft in de gedingstukken en het behandelde ter terechtzitting geen aanknopingspunten gevonden om dit standpunt van verweerster voor onjuist te houden. Hij overweegt daarbij dat geen objectieve gegevens beschikbaar zijn gekomen die het relaas van eiser bevestigen en dat voorts de door eisers tante [D.] afgelegde verklaringen onvoldoende houvast geven om te kunnen concluderen dat eiser is getroffen geweest door calamiteiten in de zin van de Wet.

Beroep ongegrond.

Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers

Art. 2

CRvB 6-12-2001, 01/917 WUBO

Verkrachting in Bersiapperiode.

Eiseres, geboren [in] 1928 te [C.] in het voormalige Nederlands- Indië, heeft verweerster in maart 2000 verzocht om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet) en toekenning van een periodieke uitkering ingevolge die wet. Eiseres heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die volgens haar een gevolg zijn van haar ervaringen tijdens de Japanse bezetting en de zogenoemde Bersiapperiode in het voormalige Nederlands-Indië.

Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 30 oktober 2000, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat geen bevestiging is verkregen van (directe betrokkenheid bij) de door eiseres genoemde gebeurtenissen en dus niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet.

De Raad heeft in dit geding te beoordelen of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Hij overweegt daartoe het volgende.

De Raad merkt allereerst op dat verweerster, ondanks het feit dat eiseres zowel bij gelegenheid van de aanvraag als in de bezwaarfase heeft gesteld tijdens de Bersiapperiode verkracht te zijn door een tweetal Indonesiërs, deze kwestie – in afwijking van het door haar te dezen gevoerde beleid – niet aan haar geneeskundig adviseur ter nadere verificatie heeft voorgelegd. Desgevraagd heeft verweerster ter zitting als verklaring daarvoor gegeven dat de gestelde gebeurtenis niet tijdens de Japanse bezetting maar in de onoverzichtelijke periode daarna zou hebben plaatsgevonden, zodat onvoldoende kenbaar was dat de gestelde verkrachting door tot de bezettende macht behorende personen heeft plaatsgevonden. De Raad kan verweerster in die opvatting evenwel niet volgen. In de eerste plaats zou daarmee immers worden miskend dat ook gebeurtenissen tijdens de Bersiapperiode onder de werkingssfeer van artikel 2 van de Wet kunnen worden gebracht. Voorts kan verweerster weliswaar worden toegegeven dat de situatie tijdens evenvermelde periode wellicht onoverzichtelijker was in de door haar bedoelde zin, maar dit ontslaat verweerster niet van de verplichting om ook de uit die periode gestelde gebeurtenissen naar vermogen te verifiëren. Daartoe is in zaken als deze bij uitstek een medisch onderzoek aangewezen, waar begrijpelijk en invoelbaar is dat de betrokkene omtrent dit soort gebeurtenissen als regel buiten de vertrouwde medische sfeer terughoudend zal zijn in het afleggen van gedetailleerde verklaringen.

De Raad ziet in het door verweerster gemaakte onderscheid in periodes op zichzelf dan ook geen toereikende grond voor een afwijkende benadering. Dit betekent dat het primaire en het bestreden besluit in dit opzicht niet zorgvuldig zijn voorbereid en genomen.

Niettemin acht de Raad in dit geval onder de gegeven omstandigheden onvoldoende grond aanwezig het bestreden besluit reeds om die reden te vernietigen, nu eiseres in de aanvraag- en bezwaarfase noch in beroep ten aanzien van de gestelde verkrachting zelf ook maar enige directe en aanwijsbare relatie heeft gelegd met ongeregeldheden tijdens de Bersiapperiode en/of met door extremisten in die periode gepleegd geweld.

De Raad stelt voorts vast dat blijkens de gedingstukken bij het informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis geen gegevens zijn aangetroffen die het relaas van eiseres omtrent haar bovenvermelde en andere oorlogservaringen kunnen bevestigen. Eiseres heeft evenmin namen van nog in leven zijnde getuigen of lotgenoten kunnen noemen. De Raad kan dan ook niet anders dan constateren dat van de door eiseres genoemde gebeurtenissen geen bevestiging in enigerlei vorm is verkregen.

Naar het oordeel van de Raad getuigt het van een redelijke toepassing en uitvoering van de Wet dat verweerster in beginsel niet besluit tot aanvaarding van calamiteiten uitsluitend op grond van de eigen verklaringen van de aanvrager.

Omstandigheden die verweerster ertoe hadden moeten brengen om hierop in dit geval een uitzondering te maken, acht de Raad niet aanwezig.

Beroep ongegrond.

Wet uitkeringen burgeroorlogsgetroffenen

Art. 2

CRvB 13-12-2001, 98/2589 WUBO

Verblijf buiten kamp Halmaheira, broederschoolcomplex Randosarie en B-kamp te Soerabaja: beschermingskampen.

Eiser, geboren [in] 1935 te [C.] in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in november 1996 bij verweerster een aanvraag ingediend met de primaire strekking om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Deze aanvraag heeft eiser gebaseerd op gezondheidsklachten, die worden toegeschreven aan hetgeen hij in het voormalige Nederlands-Indië heeft meegemaakt gedurende de Japanse bezetting en de daarop volgende Bersiapperiode.

Als relevante ervaringen tijdens de Japanse bezettingsperiode heeft eiser naar voren gebracht: zijn vlucht naar de dessa Deliwang/Kalibogor (a), zijn internering in het kamp Halmaheira (b) en zijn verblijf in het buitenkamp Halmaheira (c). Als ervaringen tijdens de zogenoemde Bersiapperiode heeft eiser genoemd: het meemaken van beschietingen en gewelddadigheden (waaronder de gedwongen ontucht met een Javaanse vrouw) (d), zijn verblijf in een broederschoolcomplex Randosarie (e) en zijn verblijf in een B-kamp te Soerabaja (f).

De Raad stelt, overeenkomstig zijn vaste jurisprudentie in dezen, voorop dat algemene oorlogsomstandigheden – waaraan in meerdere of mindere mate eenieder heeft blootgestaan – niet zijn aan te merken als handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid, onder a en b of f, van de Wet.

Hieruit volgt dat de door eiser onder (a) gestelde gebeurtenis, die in wezen neerkomt op het veranderen van woonplaats wegens toenemende onveiligheid, niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kan leiden.

Het verblijf in de onder (c), (e) en (f) vermelde kampen kan – reeds gelet op het karakter van deze kampen, die immers opvang en bescherming beoogden – evenmin onder de werkingssfeer van artikel 2, eerste lid, van de Wet worden gebracht.

Het door eiser gestelde verblijf in het Halmaheirakamp kan de Raad niet met vrijheidsberoving op één lijn stellen nu vaststaat dat eiser slechts 2 á 3 dagen in dit kamp heeft verbleven en hij is vrijgelaten omdat hij niet tot de doelgroep behoorde. Dat eiser in die korte periode in zodanige mate met oorlogsgeweld is geconfronteerd dat zijn kortdurende (selectie)verblijf met internering op één lijn moet worden gesteld is evenmin aannemelijk geworden.

Ten aanzien van hetgeen door eiser is gesteld met betrekking tot meegemaakte beschietingen en gewelddadigheden stelt de Raad vast dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft kunnen maken dat hij daarbij direct was betrokken, zodat deze gebeurtenissen moeten worden aangemerkt als algemene oorlogservaringen die niet onder de termen van artikel 2, eerste lid , van de Wet kunnen worden gebracht.

Hetgeen eiser heeft gesteld met betrekking tot het gewapenderhand afgedwongen seksuele contact met een Javaanse vrouw acht de Raad evenals verweerster onvoldoende aangetoond of aannemelijk gemaakt. Daartoe heeft de Raad in het bijzonder laten wegen dat deze verklaring op essentiële onderdelen afwijkt van die van zijn oudere broer [D.], die volgens eiser (ook) als slachtoffer bij deze gebeurtenis was betrokken. De Raad acht teminder grond aanwezig deze calamiteit als voldoende aannemelijk te aanvaarden nu eiser, zonder plausibele verklaring, van deze gebeurtenis eerst melding heeft gemaakt tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase, welke overigens plaatsvond één week na de hoorzitting van broer [D.].

Van objectieve gegevens die een en ander zouden kunnen bevestigen is in het geheel niet gebleken.

Omtrent het door eiser gestelde gedwongen aanschouwen van het ophangen van twee misdadigers is ook naar het oordeel van de Raad te veel onduidelijkheid blijven bestaan om dit te aanvaarden als een calamiteit in de zin van de Wet. De door eiser gestelde mishandeling door een Indonesische jongen met een strijkijzer tenslotte is door verweerster terecht niet als oorlogsgeweld in de zin van de Wet aangemerkt.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Beroep ongegrond.

Wet uitkeringen burgeroorlogsgetroffenen

Art. 2

CRvB 20-12-2001, 98/7051 WUBO

Werken in tandpastafabriek in voormalig Nederlands-Indië. Verplicht toekijken hoe vrouw werd verbrand.

Eiseres, geboren [in] 1931 in [C.] in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in augustus 1997 een aanvraag bij verweerster ingediend primair ertoe strekkende dat zij als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo zou worden erkend. In dit verband heeft eiseres aangegeven dat zij gezondheidsklachten heeft, die worden toegeschreven aan de gebeurtenissen die zij tijdens de Japanse bezetting en de Bersiapperiode heeft meegemaakt, t.w.: het werken in een tandpastafabriek te Tjimahi (1), het verplicht toekijken hoe een vrouw werd verbrand (2) en de aanranding door een man die de ouderlijke woning was binnengedrongen (3).

Bij besluit van 16 februari 1998 heeft verweerster de aanvraag van eiseres afgewezen omdat de door eiseres onder (1) genoemde gebeurtenis niet onder de werking van artikel 2, eerste lid, van de Wet valt en van de onder (2) en (3) genoemde gebeurtenissen buiten haar eigen verklaring onvoldoende bevestigingsgegevens voorhanden zijn. Dit standpunt heeft verweerster in het thans bestreden besluit gehandhaafd.

De Raad staat in dit geding voor de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Ten aanzien van het werken in de tandpastafabriek overweegt de Raad het volgende.

Het werken tijdens de Japanse bezetting in een tandpastafabriek in Tjimahi kan ook volgens de Raad niet als calamiteit in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet worden aangemerkt. De Raad acht onvoldoende aannemelijk geworden dat eiseres, gelet op haar toenmalige leeftijd en de omstandigheden waaronder de werkzaamheden werden verricht, verplicht op genoemde locatie is tewerkgesteld. Eiseres was destijds immers pas 13 jaar, verrichtte dagelijks van 06.00 uur tot 17.00 uur produktiewerkzaamheden van algemene aard, keerde iedere dag naar huis terug en ontving daarvoor een zeer bescheiden beloning. Deze omstandigheden bezien in samenhang met de penibele financiële situatie van het gezin waartoe eiseres behoorde (en waarvan de vader in 1937 was overleden), maken het naar het oordeel van de Raad veeleer aannemelijk dat eiseres – tezamen met haar twee jongere broertjes, die op de jongensafdeling werkzaam waren – uit economische motieven in de tandpastafabriek is gaan werken. De onder (1) vermelde gebeurtenis is door verweerster derhalve terecht niet als calamiteit in de zin van de Wet aangemerkt. […]

Beroep ongegrond.

Wet uitkeringen burgeroorlogsgetroffenen

Art. 2

 

CRvB 21-2-2002, 00/984 WUBO

Bombardement in voormalig Nederlands-Indië.

Blijkens de gedingstukken heeft eiseres in juni 2000 bij verweerster een aanvraag ingediend met de primaire strekking om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Deze aanvraag heeft eiseres gebaseerd op gezondheidsklachten, die worden toegeschreven aan hetgeen zij in het voormalige Nederlands-Indië heeft meegemaakt gedurende de Japanse bezetting.

Als relevante ervaringen tijdens de Japanse bezettingsperiode heeft eiseres naar voren gebracht: het meemaken van een bombardement op Soekaboemi (a) en de moeilijke omstandigheden waaronder zij tijdens de Japanse bezetting heeft geleefd (b).

De Raad stelt, overeenkomstig zijn vaste jurisprudentie in dezen, voorop dat algemene oorlogsomstandigheden – waaraan in meerdere of mindere mate eenieder heeft blootgestaan – niet zijn aan te merken als handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid, onder a en b of f, van de Wet.

Hieruit volgt dat de door eiseres onder (b) gestelde gebeurtenis niet tot erkenning als burger- oorlogsslachtoffer kan leiden.

Ten aanzien van hetgeen door eiseres is gesteld met betrekking tot het meegemaakte bombardement op Soekaboemi stelt de Raad vast dat onvoldoende is kunnen blijken dat eiseres daarbij direct betrokken is geweest, nu noch het internaat waar eiseres verbleef, noch de onmiddellijke omgeving ervan bij het bombardement zou zijn getroffen, zodat deze gebeurtenis moet worden aangemerkt als een algemene oorlogsomstandigheid die niet onder de termen van artikel 2, eerste lid, van de Wet kan worden gebracht.

Beroep ongegrond.

Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers

Art. 2

CRvB 24-1-2002, 98/8466 WUBO

Huiszoekingen in voormalig Nederlands-Indië. Arrestatie vader. Lijken in rivier.

Eiseres, geboren [in] 1937 in het voormalig Nederlands-Indië, heeft in februari 1998 bij verweerster een aanvraag ingediend om krachtens de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet) te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer en in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. Deze aanvraag heeft eiseres gebaseerd op bij haar bestaande gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan haar ervaringen tijdens de Japanse bezetting van het voormalig Nederlands-Indië en tijdens de zogenoemde Bersiapperiode. In dit verband heeft eiseres aangegeven dat zij tijdens de Japanse bezetting bij luchtalarm heeft moeten schuilen in een schuilkelder, dat zij huiszoekingen heeft meegemaakt en heeft gezien hoe haar vader werd gearresteerd en voorts dat zij lijken heeft zien drijven in een rivier dichtbij het ouderlijk huis. Tijdens de Bersiapperiode heeft eiseres, naar zij stelt, een continu, algemeen gevoel van angst en onveiligheid gekend.

De aanvraag van eiseres heeft verweerster afgewezen bij besluit van 7 juli 1998, zoals gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op grond van de overweging dat de oorlogs-ervaringen van eiseres niet zijn aan te merken als calamiteiten in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet.

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of verweerster op goede gronden tot dit oordeel is gekomen.

De Raad stelt in dit verband voorop dat overeenkomstig zijn vaste jurisprudentie algemene oorlogsomstandigheden, waaraan in meerdere of mindere mate eenieder heeft blootgestaan, niet zijn aan te merken als calamiteiten in de zin van artikel 2, eerste lid, onder a, b en f, van de Wet.

In beroep heeft eiseres met name naar voren gebracht dat de door haar meegemaakte huiszoekingen door Japanners wel dienen te worden aangemerkt als handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet.

De Raad kan eiseres in deze opvatting niet volgen. Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster terecht overwogen dat niet is gebleken dat deze huiszoekingen tegen eiseres persoonlijk waren gericht. De enkele omstandigheid dat eiseres deel uitmaakte van het gezin waarbij deze huiszoekingen zich hebben voorgedaan oordeelt de Raad onvoldoende om aan te nemen dat de huiszoekingen ook jegens eiseres persoonlijk gericht waren. De Raad vindt hiervoor steun in de omstandigheid dat bij een dergelijke huiszoeking uitsluitend de vader van eiseres door de Japanners voor een korte tijd is meegenomen. Voorts is niet gebleken dat deze huiszoekingen met zoveel geweld gepaard zijn gegaan dat zij ondanks het hiervoor overwogene in het geval van eiseres toch dienen te worden aangemerkt als handelingen of maatregelen van de Japanse bezetter als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b en d, van de Wet.

Met betrekking tot de overige door eiseres aan haar aanvraag ten grondslag gelegde ervaringen overweegt de Raad dat hij het standpunt van verweerster kan delen dat deze gebeurtenissen door hun algemeen karakter niet onder de werkingssfeer van de Wet kunnen worden gebracht.

Beroep ongegrond.

Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers

Art. 2, eerste lid

CRvB 28-2-2002, 99/4125 WUBO

Onderduik woonwagenbewoner-niet zigeuner (reiziger).

In oktober 1998 heeft eiseres, geboren [in] 1936, verweerster verzocht om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer en om in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering op grond van de Wubo. Deze aanvraag heeft eiseres gebaseerd op bij haar bestaande gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan haar ervaringen tijdens de Duitse bezetting. Daarbij heeft eiseres erop gewezen dat zij woonwagenbewoner-niet zigeuner is (hierna: reiziger), en heeft zij gesteld dat zij er als kind getuige van is geweest dat zigeuners met geweld werden opgepakt en weggevoerd. Verder heeft eiseres onder meer aangevoerd dat haar vader door of vanwege de Duitse bezetter is gearresteerd en dat hij, na te zijn ontsnapt, met zijn gezin, waartoe ook eiseres behoorde, is ondergedoken in de bossen van België om zichzelf en zijn gezinsleden te behoeden voor vervolging door of vanwege de Duitse bezetter.

Bij besluit van 30 maart 1999 heeft verweerster het verzoek van eiseres afgewezen en deze afwijzing is na bezwaar bij het thans bestreden besluit gehandhaafd. Bij het laatstgenoemde besluit heeft verweerster overwogen dat niet aannemelijk is dat eiseres is getroffen door onder de Wet vallend oorlogsgeweld zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid. Verder heeft verweerster overwogen dat eiseres als reiziger objectief gezien geen vervolging te vrezen had. Verweerster acht daarom niet aannemelijk dat eiseres is ondergedoken in verband met handelingen of maatregelen welke door of namens de vijandelijke bezettende machten tegen haar waren gericht.

Tegen het bestreden besluit heeft eiseres doen aanvoeren dat – kort samengevat – het verbod voor reizigers om rond te trekken en hun gedwongen verblijf in verzamelkampen in het algemeen, en zeker in het onderhavige geval, wel degelijk dienen te worden aangemerkt als onder de Wet vallend oorlogsgeweld zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid. In dit verband is erop gewezen dat het verbod om rond te trekken en het gedwongen verblijf in een verzamelkamp het onmogelijk maakte om inkomsten te verwerven uit de ambulante handel. Verder is gesteld dat door de Duitse bezetter tijdens en na de razzia’s van 16 mei 1944 geen scherp onderscheid werd gemaakt tussen zigeuners en reizigers, zodat eiseres als reiziger wel degelijk voor vervolging te vrezen had en haar onderduik beschouwd dient te worden als een calamiteit die onder de reikwijdte van de Wet valt.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend, waartoe het volgende wordt overwogen.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wubo wordt voor de toepassing van de Wet onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 als burger lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen door of in verband met handelingen of maatregelen welke door of namens de vijandelijke bezettende machten tegen hem werden gericht, tengevolge van welk letsel hij blijvend invalide is geworden of is overleden. Gelet hierop dient allereerst vastgesteld te worden of er ten aanzien van eiseres sprake is geweest van handelingen of maatregelen in vorenbedoelde zin.

Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 16 november 2000, 99/6332 WUBO, laat de Wet ruimte om door of namens de bezetter uitgevaardigde algemene maatregelen zoals het verbod voor reizigers om rond te trekken en hun gedwongen verblijf in verzamelkampen, ongeacht vanuit welk oogmerk zij zijn uitgevaardigd, onder de werking van de Wet te brengen, indien naar de omstandigheden beoordeeld de specifieke uitwerking van dergelijke maatregelen daartoe in een individueel geval aanleiding geeft.
In het onderhavige geval is naar het oordeel van de Raad niet gebleken dat de algemene door de bezetter jegens reizigers afgekondigde maatregelen hebben geresulteerd in specifiek tegen eiseres gerichte handelingen of maatregelen in vorenbedoelde zin. In dit verband overweegt de Raad dat de door genoemde maatregelen veroorzaakte onmogelijkheid voor de ouders van eiseres om inkomsten te verwerven uit de ambulante handel moet worden beschouwd als een algemene oorlogsomstandigheid die, overeenkomstig constante jurisprudentie, niet is aan te merken als calamiteit in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet.

Eiseres heeft aan haar aanvraag mede ten grondslag gelegd dat zij ondergedoken is geweest. In verband daarmee heeft verweerster geschiedkundig materiaal geraadpleegd met betrekking tot de positie van zigeuners en reizigers in de Tweede Wereldoorlog. Verder heeft verweerster zich blijkens de gedingstukken onder meer met gerichte vragen gewend tot de afdeling Bevolking van de gemeente [B.].
Uit het beschikbare geschiedkundige materiaal kan worden afgeleid dat reizigers evenals zigeuners gedurende de Tweede Wereldoorlog geconfronteerd zijn met door de bezetter ten uitvoer gebrachte vexatoire maatregelen, maar niet dat reizigers vanaf 16 mei 1944 stelselmatig zijn vervolgd vanwege het enkele feit dat zij reiziger waren. Evenmin is gebleken van enig gegeven, anders dan de vermoedens van eiseres en haar ouders, op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat eiseres is ondergedoken omdat een maatregel van de bezetter jegens haar te verwachten was. Derhalve is niet aannemelijk geworden dat eiseres heeft verkeerd in een reële onderduiksituatie.
Wat van de zijde van eiseres overigens aan oorlogservaringen ten grondslag is gelegd aan haar aanvraag, heeft verweerster naar het oordeel van de Raad terecht niet aangemerkt als calamiteiten in de zin van de Wet, nu met betrekking tot deze belevenissen, mede tengevolge van de betrekkelijk vage omschrijving daarvan door eiseres, te veel onduidelijkheid bestaat om ze als zodanig te aanvaarden.
Het vorenstaande betekent dat de Raad verweerster volgt in haar opvatting dat niet aannemelijk is geworden dat eiseres is getroffen door een oorlogscalamiteit in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet.

Beroep ongegrond.

Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers

Art. 2, eerste lid

CRvB 29-11-2001, 98/6262 WUBO

Directe confrontatie met (zware) mishandeling van derden vereist i.v.m. beroep op art. 2 eerste lid aanhef en onder d.

Eiser, geboren [in] 1927, is in 1994 door verweerster op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b en e, van de Wet (oud) als burger-oorlogsslachtoffer erkend en aan hem is met ingang van 1 mei 1992 een toeslag ingevolge artikel 19 van de Wet toegekend.

In juli 1995 heeft eiser verweerster, met een beroep op het gestelde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet, zoals dit artikel luidt na wijziging van de Wet bij wet van 23 februari 1995, Stb. 1995, 122, welke wet in werking is getreden op 15 maart 1995, verzocht om alsnog met ingang van 1 juni 1984 te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en voorts om toekenning van een toeslag ingevolge artikel 19 van de Wet, met ingang van een eerdere datum dan 1 mei 1992. Eiser heeft in dit verband gesteld een drietal gebeurtenissen te hebben meegemaakt, te weten: 1) het getuige zijn van mishandelingen ten tijde van de Japanse inval in maart/april 1942, 2) het getuige zijn van het afvoeren van mishandelde personen bij het Kempetai-gebouw te Kediri in 1944/1945 en 3) het getuige zijn van de mishandeling van de heer [C.] tijdens eisers detentie door de Kempetai in 1945.

Verweerster heeft de in dit geding aan de orde zijnde aanvraag bij besluit van 31 juli 1997 afgewezen, welke afwijzing na gemaakt bezwaar is gehandhaafd bij het thans bestreden besluit. Daartoe is – kort samengevat – overwogen dat met betrekking tot de eerste en derde gestelde gebeurtenis, geen, althans onvoldoende bevestiging is verkregen en dat wat betreft de tweede (wel bevestigde) gebeurtenis geen sprake is van een calamiteit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet. Hierbij heeft verweerster, ten aanzien van het verzoek om terugwerkende kracht, nog overwogen dat zij van oordeel blijft dat niet is komen vast te staan dat eiser ten tijde van zijn eerste aanvraag melding heeft gemaakt van mogelijke calamiteiten als bedoeld in evengenoemde bepaling en hem reeds op grond hiervan geen terugwerkende kracht kan worden verleend.

De Raad dient in dit geding te beoordelen of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Dienaangaande overweegt de Raad, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, als volgt.

Ingevolge het per 15 maart 1995 in werking getreden onderdeel d van artikel 2, eerste lid, van de Wet wordt – voor zover van belang – onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 als burger op jeugdige leeftijd psychisch letsel heeft opgelopen door de confrontatie met doodslag, executie of zware mishandeling van derden door de vijandelijke bezettende macht.

Met betrekking tot het getuige zijn van mishandelingen ten tijde van de Japanse inval in maart/april 1942, is de Raad met verweerster van oordeel dat, buiten eisers eigen verklaring, geen bevestiging van deze gebeurtenis is verkregen, zodat artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet reeds om deze reden toepassing mist. De Raad merkt hierbij nog op eiser niet te kunnen volgen in zijn stelling dat zijn eigen verklaring, in samenhang bezien met de consistente, wel bevestigde verklaringen ten aanzien van de overige gebeurtenissen, verweerster anders had moeten doen besluiten.

Ten aanzien van het horen kermen en schreeuwen van personen die worden mishandeld en het vervolgens afgevoerd zien worden van die personen bij het Kempetai-gebouw te Kediri in 1944/1945, is de Raad van oordeel dat deze gebeurtenissen niet vallen onder de reikwijdte van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet. Gelet op de duidelijke tekst alsmede de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming ervan dient deze bepaling strikt te worden gelezen. Hieruit volgt naar het oordeel van de Raad dat deze bepaling slechts van toepassing kan zijn indien sprake is van een directe confrontatie met (in dit geval) zware mishandeling van derden, in die zin dat men hiervan ooggetuige is geweest, althans dat men ter plekke en ten tijde van de mishandeling in persoon aanwezig was. Van een zodanige confrontatie is in het onderhavige geval, hoezeer eiser ook hieronder kan hebben geleden, geen sprake.

Wat betreft het getuige zijn van de mishandeling van de heer [C.] tijdens eisers detentie door de Kempetai in 1945, heeft verweerster overwogen dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat eiser geconfronteerd is geweest met zware mishandeling van derden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet. De Raad onderschrijft het standpunt van verweerster in deze onder aantekening dat de confrontatie niet geldt personen die mishandeld zijn, maar personen die mishandeld worden in het bijzijn van degene die op die mishandeling een beroep doet. Ook naar het oordeel van de Raad is deze gebeurtenis, met alleen eisers eigen verklaring, onvoldoende bevestigd. De zich bij de stukken bevindende (ongedateerde) verklaring van de heer [D.] geeft, wat daar overigens ook van zij, immers niet meer aan dan dat, hoe ernstig dit op zichzelf ook is, eiser tegelijk met de heer [C.] gedetineerd is geweest en dat beiden gemarteld zijn. Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet is derhalve in het onderhavige geval niet van toepassing.

De Raad merkt overigens op het besluit op dit punt – anders dan eiser in beroep heeft doen betogen – niet onduidelijk of anderszins ondeugdelijk gemotiveerd te achten.

Gezien het vorenstaande is de Raad van oordeel dat hetgeen eiser in beroep heeft doen aanvoeren met betrekking tot de terugwerkende kracht van de eiser toegekende uitkering tot 1 juni 1984, geen nadere bespreking behoeft.

Beroep ongegrond.

Wet uitkeringen burgeroorlogsgetroffenen

Art. 2 eerste lid