WBP

CRvB 10-1-2002, 98/6263 BPW

Activiteiten van Jehova’s Getuige.

In 1996 heeft eiseres, geboren in 1925, bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een buitengewoon pensioen. Blijkens de gedingstukken heeft de Stichting 1940-1945 (hierna: de Stichting) onder dagtekening 29 oktober 1996 de verklaring verstrekt dat eiseres heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen (hierna: de Wet) en dat van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet niet is gebleken.

Daartoe is blijkens een begeleidend schrijven van 1 november 1996 overwogen dat, gelet op de gegevens in het verzetsrapport, aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt kan worden geacht dat eiseres in elk geval in de periode 1941-1945 maar waarschijnlijk gedurende de gehele bezetting activiteiten heeft ontplooid als Jehovah’s Getuige.

Tevens heeft de Stichting het verzet als intensief aangemerkt en derhalve artikel 4, derde lid onder a, van de Wet toepasselijk geacht.

Verweerster heeft zich met dit standpunt van de Stichting niet kunnen verenigen en heeft de aanvraag van eiseres afgewezen bij besluit van 30 oktober 1997, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Daartoe is overwogen – kort gezegd – dat aan de bij het onderzoek door de Stichting verkregen getuigenverklaringen aangaande de betrokkenheid bij evangelisatiewerkzaamheden geen overwegende betekenis kan toekomen in het licht van de door eiseres blijkens de uitspraak van de Raad van 11 juli 1996, nr. 95/113 WUV, destijds ter zitting van de Raad afgelegde verklaring dat zij uitsluitend personen bezocht van wie zij wist dat zij belangstelling hadden voor de boodschap. Verweerster heeft deswege onvoldoende aannemelijk geacht dat eiseres in de openbaarheid evangelisatiewerkzaamheden heeft verricht en mitsdien geen sprake geoordeeld van verzet in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wet. Voorts heeft verweerster eiseres ook niet willen rekenen tot een van de categorieën van personen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet.

In beroep heeft eiseres zich met name gekeerd tegen het oordeel van verweerster dat zij niet is te rekenen tot de deelnemers aan het verzet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet. Daartoe is aangevoerd dat uit de in het kader van het door de Stichting ingestelde onderzoek verkregen getuigenverklaringen genoegzaam blijkt dat eiseres tijdens de oorlogsjaren op de gebruikelijke wijze deelnam aan evangelisatiewerkzaamheden en zich met daartoe bestemde lectuur op straat heeft begeven. Gezien de risico’s die daaraan waren verbonden – onder meer blijkend uit de arrestatie van de broer van eiseres toen hij in 1941 op straat werd aangetroffen in het bezit van bijbels en zijn daarop volgende gevangenschap tot het einde van de oorlog – werden wel de nodige voorzorgsmaatregelen genomen. Op dit punt is mede gewezen op bij nader ingezonden schrijven van 2 augustus 1999 door een medewerker van het historisch archief van de Wachttoren verstrekte informatie. In dit schrijven is, onder meer, aangegeven dat werd gewerkt in zeer kleine groepen per wijk; dat bij aankomst in een straat afzonderlijk werd gewerkt en slechts bij een paar huizen werd aangebeld om niet op te vallen; dat in het begin van de oorlog nog lectuur verstopt onder de kleding werd meegenomen maar dat men later meestal alleen een bijbeltje bij zich had; en dat informatie werd verstrekt over adressen waar NSB-ers, politieagenten, Duitse militairen of nazi-gezinde personen woonden.

Eiseres heeft ten slotte aangevoerd dat de door verweerster aangehaalde passage uit voormelde uitspraak van de Raad niet strookt met de werkelijkheid en op een misverstand moet berusten.

De Raad overweegt als volgt. Voorop wordt gesteld dat de genoemde uitspraak van de Raad van 11 juli 1996, nr. 95/113 WUV, is gewezen in een geding waarin verweerster geen partij was en dat betrekking had op de toepassing van een andere wet, te weten de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Naar volgt uit het in dat geding bestreden besluit van de Raadskamer WUV van de Pensioen- en uitkeringsraad van 30 januari 1995 stond daar centraal de vraag of eiseres vanwege haar geloof vrijheidsberoving had ondergaan of was ondergedoken om aan vrijheidsberoving te ontkomen, dan wel aan andere vormen van terreur van de bezetter had blootgestaan. De beoordeling van de aanvraag ingevolge de Wet van eiseres dient evenwel aan de hand van de specifieke wetseigen bepalingen, op eigen merites en op basis van het geheel van de verkregen informatie te geschieden. Weliswaar kan in dit verband zeker ook betekenis toekomen aan feitelijke verklaringen die in het kader van de toepassing van een andere wet betreffende voorzieningen voor oorlogsgetroffenen zijn afgelegd, maar de omstandigheid dat aan een bepaalde verklaring in voormeld geding door de Raad beslissende betekenis is toegekend, brengt nog niet mee dat ‘dus’ ook in het onderhavige geding daaraan doorslaggevend gewicht dient toe te komen.

De Raad stelt verder vast dat in het kader van het, door de Wet voorziene, onderzoek door de Stichting over de wederwaardigheden van eiseres in de oorlogsjaren nadere informatie beschikbaar is gekomen, vooral in de vorm van nieuwe getuigenverklaringen betreffende het evangelisatiewerk door eiseres als Jehovah’s Getuige.

Gezien de inhoud van die getuigenverklaring – aan de juistheid waarvan de Raad geen enkele reden heeft tot twijfel – en de omringende algemene informatie die beschikbaar is gekomen over het, de bezetter bepaald onwelgevallige, evangelisatiewerk gedurende de oorlogsjaren en de daaraan verbonden risico’s, kan de Raad zich verenigen met het oordeel van de Stichting dat eiseres op de gebruikelijke wijze gedurende zeer geruime tijd heeft deelgenomen aan evangelisatiewerk in het veld als Jehovah’s Getuige en dat die activiteiten zijn aan te merken als, intensief, verzet in de zin als bedoeld in artikel 1, eerste lid, en artikel 4, derde lid, onder a, van de Wet.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat verweerster eiseres ten onrechte niet heeft gerekend tot de deelnemers aan het verzet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet.

Dit betekent dat het besluit van verweerster van 20 juli 1998, voorzover in beroep aangevallen, niet in stand kan blijven.

Beroep gegrond.

Wet buitengewoon pensioen

Art. 1

CRvB 8-11-2001, 98/2653 BPW

Intentie van vertrek uit Nederland van iemand van joodse afkomst. Bedoeling om een persoonlijk bijdrage te leveren aan de oorlogsvoering.

Eiser, die geboren is in 1922, heeft met een op 8 juli 1997 bij verweerster ingekomen aanvraag verzocht om toekenning van een pensioen krachtens de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, hierna: de Wet. Hierbij heeft eiser met name een beroep gedaan op artikel 2, aanhef en zesde lid, onder a, van het ter uitvoering van artikel 1, tweede lid, van de Wet tot stand gebrachte Koninklijke Besluit van 8 juli 1978, Stb. 422, (hierna: het Besluit). In dat verband heeft eiser gesteld dat hij na een periode van onderduik van 1941 tot maart 1942, een tweetal oproepen voor een keuring voor tewerkstelling heeft ontvagen en op 1 mei 1942 uit Nederland is vertrokken en via bezet België en het bezette deel van Frankrijk op 26 mei 1942 in het onbezette deel van Frankrijk is aangekomen, waarna hij via Spanje, Curaçao en de Verenigde Staten naar Canada is uitgeweken, waar hij op 31 december 1942 aankwam. Aldaar is hij als gewoon dienstplichtige van de lichting 1942 bij de Nederlandse troepen ingelijfd en op 8 maart 1943 naar Engeland vertrokken. Eiser is in Engeland aangekomen op 17 maart 1943 en ingedeeld bij de A-compagnie, Depot Bataljon van de Koninklijke Nederlandse Brigade ‘Prinses Irene’. Eiser is enige tijd gedetacheerd geweest bij de Royal Air Force en heeft bij de Nederlandse troepen dienst gedaan tot hij met ingang van 6 november 1945 met groot verlof werd gestuurd.

De Stichting 1940-1945 heeft ingevolge de haar in artikel 24, tweede lid, van de Wet opgedragen taak bij schrijven van 13 november 1997 verklaard dat is aangetoond dan wel voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser na 15 mei 1940, met de bedoeling een persoonlijke bijdrage te leveren aan de oorlogsvoering vanuit bezet gebied in Europa naar Engeland is uitgeweken en daarna een persoonlijke bijdrage aan de oorlogsvoering heeft geleverd, op grond waarvan eiser kan worden gerekend tot de categorie van personen. Genoemd in artikel 2, aanhef en zesde lid onder a, van het Besluit.

Verweerster heeft zich met laatst genoemd standpunt van de Stichting 1940-1945 niet kunnen verenigen en heeft de aanvraag van eiser afgewezen bij besluit van 23 december 1997 op grond van de overweging – kort weergegeven – dat eisers vertrek uit Nederland evenals zijn vertrek vanuit het bezette deel van Frankrijk in het teken heeft gestaan van zijn streven om als jood uit de handen van de Duitse bezetter te blijven en dat bij zijn uitwijk uit bezet gebied bij eiser niet de bedoeling bestond om een persoonlijke bijdrage te leveren aan de oorlogsvoering. Dit standpunt heeft verweerster bij het thans bestreden besluit gehandhaafd.

Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad stelt op grond van de gedingstukken vast dat eiser in mei1942 vanuit bezet gebied is uitgeweken naar Engeland en aldaar een persoonlijke bijdrage heeft geleverd aan de oorlogsvoering.

Het geding tussen partijen spitst zich toe op de vraag of verweerster op goede gronden heeft geoordeeld dat bij eiser bij zijn vlucht uit bezet gebied niet de intentie aanwezig was om een persoonlijke bijdrage te leveren aan de oorlogsvoering.

De Raad beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

Naar uit de gedingstukken naar voren komt, heeft eiser in maart en nogmaals in april 1942 een door de Joodse Raad te Amsterdam en het Arbeidsbureau verzonden oproep gekregen om zich te laten keuren voor tewerkstelling in kampen onder toezicht van de Nederlandse Heidemaatschappij. Gegeven deze feiten is de Raad van oordeel dat eisers vertrek uit Nederland in de eerste plaats is ingegeven door zijn streven om te ontkomen aan de anti-joodse maatregelen van de Duitse bezetter, waarmee eiser kort voor zijn vertrek op 1 mei 1942 uit Nederland reeds in volle omvang werd geconfronteerd. Op grond van de gedingstukken is voor de Raad evenwel genoegzaam komen vast te staan dat bij eiser tevens de intentie aanwezig was om naar Engeland te geraken teneinde daar een persoonlijke bijdrage te leveren aan de oorlogsvoering. De Raad kent dit in verband beslissende betekenis toe aan de bovengenoemde in beroep van de zijde van eiser ingestuurde verklaring van B., in wiens ouderlijk huis eiser in de periode 1941-1942 is ondergedoken geweest, alsmede aan de door eiser in bezwaar ingezonden delen van zijn tijdens zijn vlucht uit Nederland in 1942 bijgehouden dagboek.

Uit de verklaring van B. kan de Raad niet anders afleiden dan dat het gezin B. op de hoogte was van eisers reeds in 1941 bestaande plannen om naar Engeland uit te wijken. Overtuigend acht de Raad in dit verband dat blijkens deze verklaring het gezin B. op grond van een met eiser gemaakte afspraak naar Radio Oranje placht te luisteren teneinde via een gecodeerd bericht een bevestiging te krijgen van eisers aankomst in Engeland. Uit het verslag van door N. aan deze B. afgelegd huisbezoek ziet de Raad geen informatie naar voren komen die aan eerder genoemde verklaring afbreuk zou doen.

Met genoemd dagboekfragment ziet de Raad voorts in voldoende mate bevestigd dat bij eiser alstoen de wens aanwezig was naar Engeland te gaan. De Raad kan gezien het bestaan van de zogenoemde Londense besluiten, die de militaire dienstplicht regelden, en de algemene bekendheid daarvan ook in het bezette Nederland de in dit dagboekfragment neergelegde wens om naar Engeland te gaan, niet anders uitleggen dan als de wens een bijdrage aan de oorlogsvoering te leveren.

De Raad acht gelet op het vorenstaande in het geval van eiser in volle omvang te zijn voldaan aan de ingevolge artikel 2, aanhef en zesde lid, onder a, van het Besluit gestelde voorwaarden.

Het bestreden besluit komt mitsdien wegens strijd met de Wet voor vernietiging in aanmerking.

Beroep gegrond.

Wet buitengewoon pensioen

Art. 2

CRvB 8-11-2001, 98/2591 BPW

Geen ernstige verstoring van levensomstandigheden. Vader erkend verzetsdeelnemer. Omkomen vader tijdens vluchtpoging is geen verzet.

Eiser geboren in november 1944, heeft bij een in oktober 1995 bij verweerster ingekomen aanvraag verzocht om toekenning van een buitengewoon pensioen ingevolge de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, hierna: de Wet. Daarbij is een beroep gedaan op artikel 3 van het ter uitvoering van artikel 1, tweede lid, van de Wet tot stand gekomen Koninklijk Besluit van 8 juli 1978, Stb. 422, hierna: het Besluit, en in dat verband is aangegeven dat eiser lijdt aan psychische klachten die naar zijn mening zijn toe te schrijven aan het verzet van zijn vader.

Verweerster heeft de aanvraag van eiser afgewezen bij besluit van 28 november 1996, welk besluit na namens eiser gemaakt bezwaar bij het thans bestreden besluit is gehandhaafd.

De Raad overweegt het volgende. Ingevolge artikel 3 van het Besluit kan verweerster met personen die behoren tot de in artikel 2 van het Besluit omschreven categorieën van personen op wie de Wet van overeenkomstige toepassing is, gelijkstellen degenen, wier omstandigheden tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 een zodanige overeenkomst vertonen met die van personen behorende tot eerdergenoemde categorieën, dat het niet van toepassing verklaren van het Besluit een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, zodat ter beantwoording de vraag voorligt of gezegd moet worden dat verweerster niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel.

Dienaangaande overweegt de Raad het volgende. Het bestreden besluit is vrucht van beleid dat verweerster in het kader van de toepassing van artikel 3 van het Besluit in zaken, waartoe de onderhavige zaak behoort, heeft ontwikkeld en sedert april 1990 hanteert. Ingevolge dit beleid, waarvan de Raad in vaste jurisprudentie heeft aanvaard dat het niet onredelijk is, is voor een gelijkstelling als hier aan de orde primair bepalend de vraag of de levensomstandigheden van de betrokkene gedurende de oorlogsjaren 1940-1945 een ernstige verstoring hebben ondergaan in verband met het verzet van derden. Dit laatste element is voorwerp van medisch onderzoek waarbij wordt nagegaan of retrospectief psychisch letsel is aan te tonen dat in verband is te brengen met het verzet van derden.

Blijkens een besluit van 9 april 1953, gegeven naar aanleiding van een aanvraag om toekenning van een buitengewoon wezenpensioen aan eiser en zijn broer, kan eisers vader worden gerekend tot de deelnemers aan het verzet. In dat verband is aanvaard dat eisers vader kan worden aangemerkt als principieel onderduiker. Blijkens de gedingstukken is eisers vader in september 1944 na een oproep voor tewerkstelling ondergedoken. Zo nu en dan bezocht hij zijn gezin, omdat de moeder van eiser na diens geboorte niet in staat was om voedsel en brandstof te verkrijgen.

Op 2 februari 1945 is eisers vader gearresteerd op het terrein van de Gasfabriek, waar hij probeerde brandstof voor zijn gezin te bemachtigen. Na verblijf in een drietal gevangenissen te Amsterdam is eisers vader door de Duitse bezetter overgebracht naar kamp Amersfoort. Tijdens een treintransport door Noord-Holland is eiser vader op 18 april 1945 uit de trein gesprongen en omgekomen.

In genoemd besluit van 9 april 1953 is overwogen dar eisers vader niet het leven heeft verloren in verband met het verzet en ook in het onderhavige geval heeft verweerster geoordeeld dat het omkomen van eisers vader met het verzet geen verband houdt. De Raad kan verweerster in deze opvatting volgen. Daarbij overweegt de Raad dat eisers vader door zijn onderduikplaats te verlaten om voor zijn gezin brandstof te bemachtigen niet alles heeft gedaan gezien de omstandigheden redelijkerwijs van een principieel onderduiker mag worden verwacht om uit handen van de Duitse bezetter te blijven. Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster derhalve op goede gronden geoordeeld dat arrestatie, gevangenschap en overlijden niet kunnen worden gerekend tot het door eisers vader gepleegde verzet. Anders dan eisers gemachtigde ziet de Raad in de voorhanden gegevens ook geen aanleiding om de vluchtpoging van eisers vader gedurende het treintransport aan te merken als (hernieuwde) poging zich om principiële redenen te onttrekken aan tewerkstelling en aan te merken als een daad van verzet. Te dier zake ontbreken naar het oordeel van de Raad noodzakelijke feitelijke en historische gegevens omtrent de aard van het transport en omtrent de beweegredenen die eisers vader tot zijn vluchtpoging hebben gebracht.

Het vorenstaande brengt met zich dat ook naar het oordeel van de Raad de gevolgen van het overlijden van eisers vader bij de aanspraken die eiser aan de Wet zou kunnen ontlenen, buiten beschouwing dienen te worden gelaten en dat voor eisers aanspraken op grond van de Wet als verzet van zijn vader uitsluitend kan gelden de door verweerster als principieel aangemerkte onderduik vanaf eisers geboorte tot de arrestatie van zijn vader op 2 februari 1945.

In de gedingstukken van medische en andere aard kan de Raad geen aanknopingspunten vinden voor het oordeel dat gedurende deze periode de levensomstandigheden van eiser zodanig zijn verstoord dat ten aanzien van hem aan artikel 3 van het Besluit toepassing zou dienen te worden gegeven. Uit de omtrent eiser beschikbare medische informatie ziet de Raad naar voren komen dat veeleer de arrestatie en het overlijden van vader als begin kan worden aangemerkt van een gestoorde naoorlogse ontwikkeling.

Beroep ongegrond.

Wet buitengewoon pensioen

Art. 3 KB 1978

CRvB 27-12-2001, 98/3571 BPW

Geen ernstige verstoring van levensomstandigheden. Vader erkend verzetsdeelnemer. Arrestatie vader niet in aanwezigheid van kind. Terugkeer vader na gevangenschap. Leeftijd kind. Geen rode draad van disfunctioneren.

Eiseres, die geboren is in november 1941, heeft in 1993 verzocht om toekenning van een buitengewoon pensioen. In dit verband heeft zij een beroep gedaan op artikel 3 van het ter uitvoering van artikel 1, tweede lid, van de Wet tot stand gebrachte Koninklijke Besluit van 8 juli 1978, Stb. 422 (hierna: het Besluit). Hierbij heeft zij aangegeven dat zij lijdt aan psychische klachten die naar haar mening zijn toe te schrijven aan het verzet van derden, met name van haar vader.

Verweerster heeft de aanvraag van eiseres in 1994 afgewezen, welk besluit zij, na door eiseres gemaakt bezwaar, bij het thans bestreden besluit heeft gehandhaafd.

De Raad staat thans ter beoordeling of het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Daartoe wordt overwogen als volgt. Ingevolge artikel 3van het Besluit kan verweerster met personen, die behoren tot de in het artikel 2 van het Besluit omschreven categorieën van personen op wie de Wet van overeenkomstige toepassing is, gelijkstellen degenen wier omstandigheden tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 zodanige overeenkomst vertonen met die van personen behorend tot eerder genoemde categorieën, dat het niet van toepassing verklaren van het Besluit een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

Het gaar hier om een bevoegdheid die discretionair van aard is. Dit brengt mee dat de Raad heeft na te gaan of van verweerster moet worden gezegd dat zij niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten ten aanzien van eiseres van hiervoor omschreven bevoegdheid geen gebruik te maken dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel.

Het bestreden besluit is genomen overeenkomstig het beleid dat verweerster in het kader van de toepassing van artikel 3 van het Besluit hanteert in die gevallen waarin zich een ernstige verstoring van levensomstandigheden heeft voorgedaan in verband met het verzet van derden, zich uitend in een rode draad van psychosociaal disfunctioneren tijdens en na de oorlog tot in het heden. Genoemd beleid is door de Raad in vaste jurisprudentie niet onjuist of onredelijk geoordeeld.

Verweerster heeft aanvaard dat de vader van de eiseres aan het verzet heeft deelgenomen.

Zij stelt zich echter op het standpunt dat een ernstige verstoring van de levensomstandigheden als hiervoor bedoeld, zich in het geval van eiseres niet heeft voorgedaan.

Verweerster heeft zich hierbij gebaseerd op het advies van de geneeskundig adviseur van de PUR, die op basis van uit de behandelend sector verkregen inlichtingen alsmede op basis van uit onderzoek door de arts A. verkregen informatie heeft geoordeeld dat de voor eiseres als kind belastende gebeurtenissen, zoals de gestelde affectieve verwaarlozing en de ziekte van haar moeder, na de oorlog hebben plaatsgevonden. De geneeskundig adviseur heeft daarbij aangegeven dat eiseres geen herinnering heeft aan het verzet van haar vader en dat haar moeder de afwezigheid van vader goed heeft overbrugd. Nergens komt, zijns inziens, tot uiting dat er gedurende de oorlogsperiode sprake zou zijn van verwaarlozing; moeder nam haar kind mee naar haar werkhuizen.

In beroep heeft eiseres doen aanvoeren dat er wel degelijk sprake is van (ernstige) verstoring van de levensomstandigheden tijdens de oorlog. Zij wijst er daarbij op dat haar vader betrokken was bij de hulp aan onderduikers. In verband daarmee zijn in 1942 joodse kinderen bij hen in huis ondergedoken geweest. Haar vader is in 1943 opgepakt en heeft een aantal maanden gevangen gezeten, in welke periode er tweemaal een huiszoeking zou hebben plaatsgevonden. Na de vrijlating van haar vader in september1943 is het gezin clandestien verhuisd. Ook daarna zijn er geregeld onderduikers in huis geweest die een schuilplaats hadden onder de vloer van de huiskamer. Onder deze omstandigheden zou eiseres door haar ouders en met name haar moeder ernstig (affectief) verwaarloosd zijn, een situatie die zich ook na de oorlog heeft voortgezet. Aan de verklaring die de moeder van eiseres in dit verband heeft gegeven, dat eiseres destijds nog zo klein was dat zij van de onderduikers niets gemerkt heeft en het gezinsleven, voor zover dat in de hongerwinter mogelijk was, zijn normale gang bleef gaan, kan naar mening van eiseres geen waarde worden gehecht, omdat hun onderlinge verhouding ernstig verstoord is.

De Raad kan evenwel verweerster, die het advies van haar adviseur heeft overgenomen, in haar opvatting volgen.

Blijkens de stukken heeft de arrestatie van de vader van eiseres niet in aanwezigheid van eiseres plaatsgevonden en is hij na zijn gevangenschap weer binnen het gezin teruggekeerd. De vermelde huiszoeking(en) zijn niet met geweld gepaard gegaan; volgens moeder hebben de Duitsers zich correct gedragen. Eiseres heeft, blijkens de medische rapportages welke aan verweersters besluitvorming zijn vooraf gegaan, zelf aangegeven dat zij aan de gebeurtenissen tijdens de oorlog ook geen herinnering had.

Duidt het vorenstaande objectief gezien niet op een ernstige verstoring van de levensomstandigheden tijdens de oorlogsjaren ten gevolge van het verzet van derden als bedoeld in het door verweerster gehanteerde beleid, uit de beschikbare gegevens komt ook niet duidelijk naar voren dat er sprake is van een rode draad van disfunctioneren tijdens en na de oorlog tot in het heden. Immers, hoewel eiseres eenmaal is blijven zitten heeft zij de lagere school normaal doorlopen en vervolgens de MULO gevolgd. Haar regelmatig verzuimen daar hield verband met ziekte van haar moeder. Op vijftienjarige leeftijd is zij gaan werken op een atelier, vervolgens heeft zij twee jaar gewerkt als administratief medewerkster bij een schoenenzaak en van 1959 tot 1962 als typiste/verkoopster bij een parfumerie groothandel. Getrouwd in 1961, is zij in 1962 gestopt met werken in verband met de geboorte van haar eerste kind. Nadien heeft eiseres weer regelmatig gewerkt, ook na emigratie van haar gezin. Van enige behandeling wegens psychische problemen is geen sprake geweest, noch in haar jeugd, noch tijdens haar latere leven, tot zij in 1992 toen haar schoonmoeder overleed, instortte en zich in juni 1993 onder behandeling heeft gesteld van Centrum ‘45.

Naar het oordeel van de Raad kan het bestreden besluit de vorenomschreven terughoudende toetsing dan ook doorstaan.

Dat verweerster geen grond heeft gezien voor het instellen van een psychiatrisch onderzoek kan de Raad, gezien hetgeen aan feitelijke gegevens beschikbaar was omtrent de levensomstandigheden van eiseres tijdens de oorlog en haar wijze van functioneren nadien, een en ander gevoegd bij de beschikbare medische rapportages, billijken.

Aan de kant van eiseres nog overgelegde expertise van psychiater dr. P. kan de Raad niet die waarde toekennen die eiseres daaraan gehecht wil zien, nu het in die expertise neergelegde oordeel in wezen hoofdzakelijk is gebaseerd op de anamnese van eiseres.

Ook hetgeen namens eiseres in beroep overigens nog is aangevoerd, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

Beroep ongegrond.

Wet buitengewoon pensioen

Art. 3 KB 1978

CRvB 21-3-2002, 98/8302 BPW

Kind van verzetsdeelnemer. Ernstige verstoring van levensomstandigheden. Rode draad niet duidelijk zichtbaar.

Eiser, die is geboren in 1935, heeft verzocht om toekenning van een buitengewoon pensioen. In dit verband heeft hij een beroep gedaan op artikel 3 van het ter uitvoering van artikel 1, tweede lid, van de Wbp tot stand gebrachte koninklijk besluit van 8 juli 1978, Stb. 422 (hierna: het Besluit). Hierbij heeft hij aangegeven dat hij lijdt aan psychische klachten die naar zijn mening zijn toe te schrijven aan het verzet van derden, met name zijn vader.

Ingevolge artikel 3 van het Besluit kan verweerster met personen, die behoren tot de in artikel 2 van het Besluit omschreven categorieën van personen op wie de Wet van overeenkomstige toepassing is, gelijkstellen degenen wier omstandigheden tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 zodanige overeenkomst vertonen met die van personen behorend tot eerder bedoelde categorieën, dat het niet van toepassing verklaren van het Besluit een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Het gaat hierbij om een bevoegdheid die discretionair van aard is. Dit brengt met zich mee dat de Raad heeft na te gaan of van verweerster moet worden gezegd dat zij niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten ten aanzien van eiser van de hiervoor omschreven bevoegdheid geen gebruik te maken dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel.

Het bestreden besluit is genomen overeenkomstig het beleid dat verweerster in het kader van de toepassing van artikel 3 van het Besluit hanteert in die gevallen waarin zich een ernstige verstoring van levensomstandigheden heeft voorgedaan ten gevolge van verzet van derden. Een ernstige verstoring van levensomstandigheden als vorenbedoeld wordt door verweerster geacht aanwezig te zijn, wanneer tijdens en in aansluiting op de oorlog bij de betrokkene symptomen van psychotraumatisering als gevolg van het verzet van de derde zichtbaar zijn in de ontwikkeling van de persoonlijkheid, respectievelijk zijn of haar psychosociaal functioneren nadien.

Genoemd beleid is door de Raad in vaste jurisprudentie niet onjuist of onredelijk geoordeeld.

Verweerster heeft aanvaard dat de vader van eiser aan het verzet heeft deelgenomen. Eisers vader heeft in de periode vóór 12 augustus 1941 behoord tot de verzetsgroep ‘Nederland en Oranje’, hij heeft in zijn bedrijf ruimte ter beschikking gesteld voor het geven van wapeninstructie en was betrokken bij het leveren van papier voor illegaal drukwerk. In verband met zijn verzet is hij op 12 augustus 1941 gearresteerd, waarvan eiser getuige was, en vervolgens heeft hij tot de bevrijding gevangenschap ondergaan. Verweerster stelt zich echter op het standpunt dat in verband daarmee een ernstige verstoring van de levensomstandigheden als hiervoor bedoeld, zich in het geval van eiser niet heeft voorgedaan. Eiser kan zich met dit standpunt niet verenigen en beroept zich daarvoor op de rapportage welke psychiater P. in bezwaar heeft uitgebracht.

Verweerster heeft zich bij haar besluit gebaseerd op de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de PUR, A. en B. Voorts is er een door C. uitgebracht medisch advies en een verslag van een intakegesprek op 15 april 1997 van psychiater X., verbonden aan de Stichting Centrum ’45.

De geneeskundig adviseur B. ziet bij vergelijking van de rapportages van P. en A. op het terrein van biografie, klachteninventarisatie en weergave van de relevante aandachtspunten voor de beoordeling van derdenverzet – in dit geval relationele aspecten, school- en beroepsopleiding, beroepsleven en psychische ziektegeschiedenis – geen wezenlijk verschil van inzicht tussen beide onderzoekers, en hij constateert dat uit de rapporten van C. en Centrum ’45 een zelfde beeld naar voren komt. Kennelijk, aldus B., is er geen discrepantie over de beschikbare informatie, noch bestaat er een zwaarwegend verschil van mening over de diagnostiek. Hij signaleert voorts dat A. de verstoring van de levensomstandigheden vooral situeert na de terugkeer van eisers vader na afloop van de oorlog, terwijl P. van mening is dat reeds in de oorlog het begin van een “rode draad” van disfunctioneren is gelegd.

Wat van dit alles ook zij, aldus B., op het gebied van school- en beroepsopleiding en beroepsleven heeft eiser zeker niet ondermaats gescoord. Uit de sociale en medische gegevens blijkt niet van doublures of (vroegtijdig) afgebroken opleidingen. Ook op het gebied van de relatievorming blijkt niet van enige problematiek. Ten slotte is eiser eerst in 1997 in specialistische behandeling gekomen vanwege psychische klachten.

De Raad kan dit door verweerster van haar adviseur overgenomen standpunt volgen.

In de na het bestreden besluit nog gevoerde briefwisseling tussen P. en B. heeft P. aangegeven dat bij eiser gedurende de periode gelegen tussen de jaren 1950 en 1990, na welk tijdstip eiser gedecompenseerd is toen hij zijn werkzaamheden als gevolg van somatische klachten noodgedwongen heeft moeten staken, slechts een rode draad zichtbaar is ‘die naar het infrarode en dus niet zichtbare spectrum neigt’.

Aangezien het beleid van verweerster uitgaat van een zichtbaarheid van de symptomen van psychotraumatisering in de ontwikkeling van de persoonlijkheid en psychosociaal functioneren en bij de daarbij in beschouwing genomen aandachtspunten niet van een dergelijke traumatisering is gebleken gedurende een zeer lange periode, kan naar het oordeel van de Raad niet gezegd worden dat verweerster niet in redelijkheid tot het standpunt heeft kunnen komen dat eiser niet voldoet aan de door haar gestelde criteria.

Naar het oordeel van de Raad kan het bestreden besluit de hierboven omschreven terughoudende toetsing dan ook doorstaan. Ook hetgeen namens eiser in beroep overigens nog is aangevoerd, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

Beroep ongegrond.

Wet buitengewoon pensioen

Art. 3 KB 1978