Overige wetten

CRvB 13-12-2001, 99/5843 WUBO

Aankondiging dat gevraagde vergoeding niet zal worden verlengd is geen besluit.

Bij besluit van 26 augustus 1999 heeft verweerster de aan eiser eerder ingevolge artikel 32 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet, toegekende vergoeding van de kosten verbonden aan archiefonderzoek verlengd tot 1 januari 2000. Daarbij heeft verweerster er uitdrukkelijk op gewezen dat verdere vergoeding niet zal worden verstrekt.

Het door eiser tegen dit besluit ingediende bezwaar, de einddatum betreffende, heeft verweerster bij het thans bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de aankondiging dat de gevraagde vergoeding na 1 januari 2000 niet zal worden verlengd niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In een begeleidende brief van dezelfde datum heeft verweerster meegedeeld dat met de beschikking van 26 augustus 1999 geen besluit is genomen met betrekking tot de vergoeding na 1 januari 2000 en dat een dergelijk besluit eerst kan worden genomen naar aanleiding van een aanvraag daartoe. Bij nader besluit van 27 december 2000 met nummer 4035, is de eerder tot 1 januari 2000 aan eiser toegekende vergoeding ingevolge diens aanvraag alsnog verlengd tot 1 februari 2002.

In dit geding heeft de Raad te beoordelen of verweerster bij het thans bestreden besluit het bezwaar van eiser op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe wordt het volgende overwogen.

In het licht van de nader vanwege verweerster tot standgebrachte besluitvorming met betrekking tot de aanspraken van eiser op de door hem gevraagde vergoeding betreffende de periode vanaf 1 januari 2000, is de Raad van oordeel dat de in het besluit van 26 augustus 1999 neergelegde overwegingen met betrekking tot die periode niet méér betekenen dan het uitspreken van een voornemen, waarvan bij het besluit op een aanvullende aanvraag ten aanzien van die periode aan de hand van de zich dan voordoende omstandigheden alleszins kan worden afgeweken. Een dergelijk voornemen is niet gericht op enig rechtsgevolg en kan derhalve niet worden aangemerkt als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerster eiser bij het bestreden besluit terecht niet in zijn bezwaar heeft ontvangen.

Beroep ongegrond.

Algemene wet bestuursrecht

Art. 1:3

CRvB 25-7-2002, 02/351 WUBO

Beroepstermijn. Bezorging voor het einde van de termijn ter post, mits niet later dan een week na afloop van de termijn ontvangen.

Op grond van de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt het volgende.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in op de dag na die waarop het bestreden besluit door middel van toezending aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Indien het beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd orgaan wordt het zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender.

In het onderhavige geval is het beroepschrift ingediend bij een onbevoegd bestuurs-orgaan. Alsdan is artikel 6:15, derde lid, van de Awb van belang.

Ingevolge dit voorschrift is het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend indien geen juiste toepassing is gegeven aan artikel 6:23 van de Awb, danwel de onbevoegdheid van het orgaan voor de indiener van het geschrift op een andere grond onduidelijk kon zijn.

Aan de voet van het op 19 september 2001 aan eiseres gezonden besluit is duidelijk vermeld dat eiseres hiertegen een beroepschrift kan indienen bij de Raad. Derhalve is aan artikel 6:23 van de Awb een juiste toepassing gegeven. Voorts is niet gesteld, noch gebleken, dat de onbevoegdheid van verweerster voor eiseres op een andere grond onduidelijk kon zijn. Hieruit volgt dat artikel 6:15, derde lid, van de Awb niet van toepassing is op de onderhavige situatie.

Aangezien het beroepschrift eerst op 6 november 2001 ter griffie van de Raad is ontvangen, is het niet tijdig ingediend.

Bij schrijven van 25 januari 2002 is bij eiseres geïnformeerd naar de reden van de termijnoverschrijding. Eiseres heeft op laatstgenoemd schrijven niet gereageerd.

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep niet ontvankelijk.

Algemene wet bestuursrecht

Art. 6

CRvB 20-12-2001, 98/7091 WUV

Aanschaf auto. Criterium: kan iemand – eventueel onder begeleiding – gebruik maken van het openbaar vervoer. Hierbij moet ook op de privé-situatie worden gelet: kan iemand feitelijk in voldoende mate over zodanige begeleiding beschikken dat er op aanvaardbare wijze kan worden deelgenomen aan het maatschappelijke verkeer.

In 1993 heeft verweerster eiseres met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet gelijkgesteld met de vervolgde. Daarbij is aanvaard dat de bij eiseres bestaande nerveuze klachten verband houden met de met vervolging op één lijn te stellen omstandigheden. In 1994 heeft verweerster eiseres voorzieningen toegekend ter zake van kosten verbonden aan medisch en sociaal vervoer.

In januari 1998 heeft eiseres bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend om toekenning van een voorziening ter zake van de aanschaf van een auto. Zij heeft in dit verband gesteld geen gebruik te kunnen maken van het openbaar vervoer vanwege paniekaanvallen, evenwichtsstoornissen en wazig zien.

Verweerster heeft voormelde aanvraag bij besluit van 24 april 1998, zoals na bezwaar gehandhaafd, afgewezen op de grond dat de gevraagde voorziening niet als medisch noodzakelijk, noch als medisch-sociaal wenselijk kan worden beoordeeld, omdat bij eiseres geen sprake is van een totale beperking ten aanzien van het gebruik van het openbaar vervoer. Bij het bestreden besluit heeft verweerster in het bijzonder overwogen dat eiseres naar haar mening in staat is om, eventueel onder begeleiding, gebruik te maken van bepaalde vormen van openbaar vervoer.

Eiseres heeft in beroep aangevoerd vanwege haar (verergerende) klachten niet in staat te zijn om met het openbaar vervoer te reizen en in haar omgeving over niemand te beschikken die haar bij het reizen zou kunnen begeleiden.

De Raad dient in dit geding te beoordelen of het bestreden besluit in rechte kan stand houden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

De Raad heeft in het verleden het uitgangspunt van verweerster dat eerst dan aanleiding bestaat voor de gevraagde voorziening ter zake van de aanschafkosten van een auto indien sprake is van een met causale ziekten of gebreken samenhangende totale beperking ten aanzien van het gebruik van het openbaar vervoer, in zijn algemeenheid onderschreven.

Verweerster heeft naar uit het vorenstaande blijkt, zich in het geval van eiseres op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een totale beperking ten aanzien van het gebruik van het openbaar vervoer omdat eiseres volgens haar in staat is om, eventueel onder begeleiding, gebruik te maken van bepaalde vormen van openbaar vervoer.

Of eiseres ook werkelijk hiertoe in staat is, kan de Raad op grond van de voorhanden zijnde gedingstukken niet beoordelen. Uit de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde adviezen van de geneeskundig adviseurs A. van 1 april 1998 en B. van 3 augustus 1998, kan dit naar het oordeel van de Raad in elk geval niet, althans niet zonder meer, worden afgeleid. A. komt in genoemd advies tot de conclusie dat eiseres normaliter niet in staat is om met het openbaar vervoer te reizen, maar dat zij incidenteel in het verleden per vliegtuig heeft gereisd, terwijl B. in zijn advies concludeert dat eiseres ook (causale) beperkingen ervaart bij het reizen met het vliegtuig. Geen van beide adviezen geeft echter uitsluitsel omtrent de, naar het oordeel van de Raad, medische vraag of eiseres – met begeleiding – wel in staat is gebruik te maken van het openbaar vervoer. Overigens kan in de ter zake ingewonnen informatie van de behandelend psychiater P. van 27 februari 1998 en de huisarts van eiseres H. van 28 februari 1998 geen steun worden gevonden voor het standpunt van verweerster. De Raad merkt hierbij nog op dat het als bijlage bij het verweerschrift gevoegde advies van geneeskundig adviseur S. van 18 januari 1999 hem niet tot een ander oordeel kan brengen.

Naar het oordeel van de Raad brengt het zorgvuldigheidsbeginsel, neergelegd in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), onder de gegeven omstandigheden mee dat verweerster, alvorens het bestreden besluit te nemen, tevens had behoren te onderzoeken of eiseres wel in staat is om – met begeleiding – gebruik te maken van het openbaar vervoer. Daarbij had verweerster de vraag moeten betrekken of eiseres, gelet op haar privé-situatie, ook feitelijk in voldoende mate over zodanige begeleiding kan beschikken dat zij op aanvaardbare wijze kan deelnemen aan het maatschappelijk verkeer.

Nu dit toegespitste onderzoek ten onrechte achterwege is gebleven komt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het bepaalde artikel 3:2 van de Awb en om die reden voor vernietiging in aanmerking komt.

Beroep gegrond.

Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

Art. 20

Algemene wet bestuursrecht

Art. 3:2

CRvB 20-12-2001, 98/7057 WUV

Begrip ‘belanghebbende’ ogv. de Awb.

Bij besluit van 12 mei 1997, heeft verweerster [C.] erkend als vervolgde in de zin van Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Diens verzoek om toekenning van een periodieke uitkering en enkele bijzondere voorzieningen op grond van de Wet heeft verweerster evenwel afgewezen op de grond dat hij geen ziekten of gebreken heeft die in verband staan met de vervolging.

Zijn tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift heeft [C.] bij brief van 14 november 1997 ingetrokken.

Bij schrijven van 24 februari 1998 heeft eiseres een bezwaarschrift doen indienen tegen bovengenoemd besluit.

Dit bezwaarschrift heeft verweerster bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard onder overweging dat eiseres geen rechtsreeks belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerster heeft daarbij in het midden gelaten of het bezwaarschrift binnen de daarvoor gestelde termijn is ingediend.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Uit de stukken blijkt dat eiseres en [C.], die in 1971 zijn gehuwd, ten tijde hier van belang niet langer op hetzelfde adres woonden en een procedure tot echtscheiding waren begonnen.

Eiseres acht zich belanghebbende bij het bestreden besluit omdat zij, naar zij stelt, recht heeft op alimentatie en het al dan niet verlenen van een uitkering aan [C.] diens draagkracht beïnvloedt en daarmee de hoogte van de alimentatie.

Uit het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 44 van de Wet vloeit voort dat slechts een belanghebbende bezwaar kan maken tegen een besluit genomen op grond van de Wet.

Onder belanghebbende wordt ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Gelet op artikel 7 van de Wet heeft slechts recht op een uitkering de vervolgde, diens weduwe of weduwnaar alsmede de minderjarige volle wees van de vervolgde. Aangezien eiseres niet onder een van deze categorieën valt, kan zij niet worden beschouwd als een persoon wiens belang rechtstreeks bij verweersters besluit van 12 mei 1997 is betrokken. Zoals verweerster ter zitting terecht heeft opgemerkt, volgt overigens al uit de stelling dat de betaling van alimentatie aan eiseres afhangt van de beslissing om al dan niet aan haar (voormalige) echtgenoot een uitkering als hier in geding toe te kennen, dat er slechts sprake is van een afgeleid en niet van een rechtstreeks belang.

De Raad is derhalve van oordeel dat verweerster het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 12 mei 1997 op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard, waarbij de Raad, evenals verweerster, daar laat of het bezwaarschrift geacht kan worden tijdig te zijn ingediend.

Beroep ongegrond.

Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

Art. 44 en art. 7

Algemene wet bestuursrecht

Art. 1:2 eerste lid