Kamerstukken 2002

Kamerstukken en wetswijzigingen 2002

  1. Tegoeden Tweede Wereldoorlog. Tweede Kamer 2001-1002, 25839, nr. 28. Verslag van een algemeen overleg, vastgesteld 3 januari 2002.

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen heeft op 22 november 2001 overleg gevoerd met staatssecretaris Van der Ploeg van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen over:

De brieven van de staatssecretaris van OCW d.d. 21 mei 2001 respectievelijk 29 juni 2001 ter aanbieding van de tussentijdse aanbevelingen van de commissie Ekkart (OCW-01-599)

– het regeringsstandpunt hierbij (OCW-01-801)

– de brief van 16 november 2001 van de staatssecretaris (25839, nr. 27).

Van dit overleg brengt de commissie een beknopt verslag uit.

De commissie-Ekkart heeft besloten tot tussentijdse advisering, omdat zij van mening is dat aanpassing van het restitutiebeleid mede gelet op de gevorderde leeftijd van belanghebbenden niet op afronding van het gehele herkomstonderzoek kan wachten. Dezelfde overwegingen hebben de regering ertoe gebracht om nog voor het zomerreces met een eerste reactie te komen.

In 1998 is gestart met het projectbureau Herkomst Gezocht, om zo snel mogelijk een zo volledig mogelijk inzicht te krijgen in de aard, achtergronden en potentiële eigendomsrechten van de NK-collectie. Dit jaar is dit project ook op internet gezet.

Besloten is tot een verruiming van de NK-collectie naar de gehele rijkscollectie. Verder is besloten tot een verruiming van de groepen. Er is een adviescommissie in het leven geroepen: de commissie-Polak. De staatssecretaris wijst erop dat de aanbevelingen van de commissie-Ekkart het particulier kunstbezit betreffen. In een later stadium zal de commissie-Ekkart adviseren over andere aspecten van het restitutiebeleid, waaronder de rol van de kunsthandel in de oorlog, waarop de zaak-Goudstikker betrekking heeft. Over dat nadere advies zal het kabinet zo spoedig mogelijk zijn standpunt bepalen. Dat zal dan ook kunnen worden meegegeven aan de commissie.

Ook over de voorwerpen waarvan de eigenaren en erfgenamen zijn overleden, verwacht de staatssecretaris nog een advies van de commissie-Ekkart. Hij is van mening dat van deze kunstwerken in de musea duidelijk moet zijn wat de geschiedenis van het betreffende kunstwerk is. Over de vraag hoe dit kan worden bereikt, zal hij in overleg treden met de Nederlandse Museum Vereniging en de Vereniging van Rijksmusea.

De staatssecretaris zal de commissie-Ekkart vragen om de adviezen zo snel mogelijk uit te brengen

Het algemene regeringsstandpunt is dat het rechtsherstel van destijds niet wordt overgedaan. Ook de commissie-Ekkart acht zich daaraan gebonden. Het gaat om een delicate balans tussen enerzijds het niet willen overdoen van het rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog en anderzijds ruimte bieden aan een verschuiving van een minder kille en puur formeel-juridische benadering naar een meer beleidsmatige benadering.

Elders in Oorlogsgetroffenen en Recht vindt u meer informatie over dit onderwerp.

  1. Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van VWS (XVI) voor het jaar 2002. Tweede Kamer 2001-2002, 20454 en 28000 XVI, nr. 57. Verslag van een algemeen overleg, vastgesteld 18 januari 2002.

De vaste commissie voor VWS heeft op 19 december 2001 overleg gevoerd met minister Borst van VWS over:

– de brieven van de minister van VWS van 8 juni en 2 juli 2001 inzake de schadeloosstelling van ex-dwangarbeiders (VWS-01-795/VWS-01-925);

– de brief van de minister ter beantwoording van commissievragen terzake 28000-XVI, nr. 11);

– de brief van de minister van VWS van 5 november 2001 inzake het jaarverslag 2000 van de PUR (20454, nr. 56).

Van dit overleg brengt de commissie een beknopt verslag uit.

Voor informatie over de schadeloosstelling voor ex-dwangarbeiders verwijzen wij naar de korte berichten elders in dit blad.

  1. Aanpassingen WUV-uitkeringen Indonesië. Staatscourant 22 februari 2002, nr. 38.

Op grond van artikel 18, zesde lid, van de Wuv worden de grondslagen van de uitkeringen ingevolge deze wet voor hen die in Indonesië wonen herzien indien de ontwikkelingen van de lonen en prijzen daartoe aanleiding geven. Deze regeling strekt tot herziening per 1 januari 2002 van deze uitkeringsgrondslagen.

De ambassade in Indonesië heeft bericht dat een nieuwe verhoging van de Wuv-grondslagen in de rede ligt. Het Indonesisch bureau voor de Statistiek heeft het officiële inflatiepercentage over het jaar 2001 vastgesteld op 12,55. In overeenstemming met het voorstel daartoe worden de Wuv-grondslagen met ingang van 1 januari 2002 met een zelfde percentage verhoogd.

Voorts heeft de PUR erop gewezen dat naast voornoemde stijging, de medische kosten in Indonesië de afgelopen jaren sterk zijn gestegen. De Wuv-gerechtigden in dat land worden hierdoor voor grote financiële problemen geplaatst. De uitkeringen van deze gerechtigden worden overeenkomstig de wet – in afwijking van andere buitenlanden – vastgesteld in plaatstelijke valuta. Gebleken is dat deze uitkeringen niet meer berekend zijn op de hoge medische kosten. Het afdekken van dit financiële risico door middel van het afsluiten van een ziektekostenverzekering is voor de Wuv-gerechtigden in Indonesië geen reële mogelijkheid.

Een en ander is dan ook aanleiding om per 1 januari 2002 de uitkeringsgrondslagen in Indonesië met een extra percentage te verhogen. De PUR heeft becijferd dat met een grondslagverhoging van 14,6% de stijging van de medische kosten wordt gedekt.

De totale herziening per 1 januari 2002 van de uitkeringsgrondslagen ingevolge artikel 18, zesde lid Wuv bestaat uit 27,15% zijnde de som van de inflatiecorrectie van 12,55% en de correctie van 14,6% ter compensatie van de gestegen medische kosten.

De bedragen, genoemd in artikel 8, achtste lid, onder a en b Wuv, worden met ingang van 1 januari 2002 vastgesteld op 1.417.911 rupiah respectievelijk 3.537.785 rupiah.

  1. Voortgangsrapportage uitvoering wetten voor oorlogsgetroffenen. Motie van het lid Middel c.s. , voorgesteld 22 januari 2002. Tweede Kamer 2001-2002, 20 454, nr. 58.

In de motie wordt geconstateerd dat na de behandeling van de kabinetsvoorstellen tegoeden Tweede Wereldoorlog de voormalige gedwongen tewerkgestelden in nazi-Duitsland tussen wal en schip terecht dreigen te komen.Vanuit de Kamer is meermalen met klem gewezen op de specifieke positie als oorlogsgetroffene van de voormalige dwangarbeiders.

Bij de Stichting Burgeroorlogsgetroffenen heeft de regering onlangs een steunpunt gefaciliteerd, alwaar zich vervolgens ongeveer 30.000 voormalige dwangarbeiders hebben gemeld om in aanmerking te kunnen komen voor een eventuele vergoeding als genoegdoening of compensatie voor hetgeen hun is aangedaan tijdens de periode van dwangarbeid, alsmede na terugkeer in ons land.

De regering wordt thans verzocht te bezien of vorm en inhoud kan worden gegeven aan een gebaar in de richting van de voormalige dwangarbeiders die zich bij voornoemd steunpunt hebben gemeld en de Kamer daarover vóór 1 maart 2002 te rapporteren.

  1. Voortgangsrapportage uitvoering wetten oorlogsgetroffenen. Motie van het lid de Wit, voorgesteld 22 januari 2002. Tweede Kamer, 2001-2002, 20 454, nr. 59.

Oorlogsslachtoffers kunnen vanaf 15 december 2001 niet meer terecht bij de gespecialiseerde zorg in het Universitair Medisch Centrum Utrecht. Bij overdracht naar andere hulpverleners bestaat het risico dat de traumatische ervaringen in versterkte mate zullen worden gereactiveerd.

In deze motie wordt de regering verzocht een subsidie voor deze functie beschikbaar te stellen zodat de betreffende oorlogsslachtoffers gebruik kunnen blijven maken van deze gespecialiseerde zorg in het Universitair medisch Centrum Utrecht of een daarmee gelijk te stellen instituut.

De regering wordt verzocht te initiëren dat op een of meer plaatsen in Nederland centra komen voor zorg op het grensvlak van interne geneeskunde en psychiatrie om daarmee te voorzien in een structurele continuering van deze zorg voor mensen die zeer indringende traumatische ervaringen hebben opgedaan.

  1. Voortgangsrapportage uitvoering wetten oorlogsgetroffenen. Tweede Kamer, 2001-2002, 20 454, nr. 61. Brief van 25 februari 2002 van de Minister van VWS aan de Voorzitter van de Tweede Kamer.

De regering heeft bezien of vorm en inhoud kan worden gegeven aan een gebaar in de richting van de voormalige dwangarbeiders.

De minister gaat in deze brief in op het naoorlogs rechtsherstel en wijst erop dat dit een wettelijk instrument is geweest om het materiële onrecht zoveel mogelijk te herstellen. Het gaat hierbij dus om de materiële kant, met andere woorden roof en recuperatie van bezittingen.

De ex-dwangarbeiders hebben niet te maken gehand met deze materiële kant. Wel hebben ex-dwangarbeiders in veel gevallen geleden onder de oorlogsomstandigheden en er zullen ongetwijfeld velen geweest zijn die de terugkeer en opvang in Nederland als kil hebben ervaren, maar deze materiële aspecten spelen geen rol bij het naoorlogs rechtsherstel.

In de brief wordt ook ingegaan op de aan de grens ingeleverde Rijksmarken, het afkopen door de Duitse staat van de aanspraken van de ex-dwangarbeiders op Duitse rente en de Vierde Aanvullende Overeenkomst. De regering heeft begrip voor de behoefte aan erkenning voor ondergaan leed tijdens de gedwongen tewerkstelling. Dit leed kan evenwel niet vergoed worden met geld. De overheid heeft, alhoewel laat, aandacht geschonken aan de erkenning van deze groep oorlogsgetroffenen. De voormalige dwangarbeiders hebben thans een eigen positie in de wetten voor oorlogsgetroffenen, er zijn mogelijkheden voor immateriële hulpverlening, er is een aantal monumenten opgericht en er is geschiedschrijving over de dwangarbeiders.

Gezien het bovenstaande is er voor de regering geen aanleiding voor een gebaar in de richting van de voormalig dwangarbeiders. Een eenmalige tegemoetkoming op grond van aspecten als ondergaan leed of terugkeer en opvang in Nederland zou een onbedoelde precedentwerking teweeg kunnen brengen. Deze aspecten gelden immers in meer of mindere mate voor alle groepen oorlogsgetroffenen.

De regering meent daarom dat geen vorm en inhoud kan worden gegeven aan de motie van het lid Middel c.s. van 22 januari 2002.

(Zie voor meer informatie het stuk over schadeloosstelling ex-dwangarbeiders elders in dit blad).

  1. Voortgangsrapportage uitvoering wetten oorlogsgetroffenen. Brief van de minister van VWS van 7 maart 2002 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Tweede Kamer, 2001-2002, 20454, nr. 62.

In deze brief gaat de minister o.a. in op het ontslag door het Universitair Medisch Centrum Utrecht van de internist/psychotraumatoloog dr. De Loos.

De minister is van mening dat het aanstellings- en ontslagbeleid van instellingen voor gezondheidszorg behoort tot hun autonome competentie. Verder is zij van mening dat een kwalitatief verantwoorde continuering van de zorg voor de patiënten van dr. De Loos voldoende is gewaarborgd.

In 2001 is een nieuwe voorziening in het leven geroepen: tegemoetkoming deelname maatschappelijk verkeer. De Sociaal Raadslieden van de gemeente Rotterdam hebben onlangs in een brief aan de PUR bepleit, dat de PUR de mogelijkheid om een verzoek in te dienen voor een tegemoetkoming voor deelname aan het maatschappelijk verkeer zelf actief meldt aan belanghebbenden.

Via het blad ‘Aanspraak’ van de PUR is de doelgroep echter zorgvuldig en adequaat op de hoogte gesteld van de invoering van deze nieuwe voorziening en de wijze waarop deze voorziening moet worden aangevraagd. De PUR heeft derhalve volwaardig invulling gegeven aan de aanbeveling van de Sociaal Raadslieden Rotterdam.

  1. Uitkeringsreglement Stichting Joods Humanitair fonds. Staatscourant 9 april 2002, nr. 68.

De Joodse gemeenschap beschikt over een bedrag van € 22.689.010,80 met rente vanaf 21 maart 2000 ten behoeve van humanitaire doelen. In verband hiermee is op 31 januari 2002 de Stichting Joods Humanitair Fonds opgericht. Deze stichting beheert en verdeelt het hierboven genoemde bedrag, een en ander overeenkomstig een door het bestuur vast te stellen en door de minister van Financiën goed te keuren uitkeringsreglement, dat de instemming behoeft van het CJO, na zijn adviescollege Restitutie en Verdeling te hebben geraadpleegd en het Platform Israël. Het CJO en het Platform Israël hebben met het uitkeringsreglement ingestemd.

Volgens dit reglement worden als belanghebbenden beschouwd: niet in Nederland gevestigde instellingen/organisaties die zich ten doel stellen projecten te ondersteunen of te verrichten die worden uitgevoerd buiten Nederland en geen verband houden met de Nederlands-joodse gemeenschap in Israël, met het oog op onder meer:

de opbouw en continuïteit van Joodse gemeenschappen, op het gebied van onder meer cultuur, kennisoverdracht en versterking van de immateriële infrastructuur, en/of

joodse educatie, en/of

het bevorderen van respect tussen mensen onderling, en/of

het ondersteunen van burgers die slachtoffer zijn van conflictsituaties.

De belanghebbende die ten behoeve van een project voor een uitkering ten laste van het vermogen van de Stichting in aanmerking wenst te komen dient daartoe een schriftelijke aanvraag in bij de Stichting Joods Humanitair Fonds, Postbus 11646, 2502 AP Den Haag.

  1. Benoeming lid Raadskamer Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers. Staatscourant 23 april 2002, nr. 78.

Te rekenen vanaf 1 mei 2002 wordt de heer dr. R. Raben, te Haarlem, voor een periode van vier jaren benoemd tot lid van de Raadskamer Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers, genoemd in artikel 2, tweede lid, van het Besluit Raadskamers.

  1. Voortgangsrapportage uitvoering wetten oorlogsgetroffenen. Tweede Kamer, 2001-2002, 20454, nr. 63.

Lijst van vragen en antwoorden, vastgesteld 8 mei 2002.

In de Vaste Commissie voor VWS bestond er bij enkele fracties behoefte een aantal vragen ter beantwoording voor te leggen aan de Minister van VWS over haar brief van 7 maart 2002 inzake de actuele stand van zaken betreffende toezeggingen uit het Algemeen Overleg over oorlogsgetroffenen van 19 december 2001 (Kamerstukken II 2001-2002, 20454, nr. 62). De minister heeft de vragen beantwoord bij brief van 8 mei 2002.

De vragen hebben vooral betrekking op de positie van de ex-dwangarbeiders en de patiënten van dr. De Loos, die in het universitair medisch centrum in Utrecht werkte. Oorlogsslachtoffers kunnen daar thans niet meer terecht voor gespecialiseerde zorg.

Over de ex-dwangarbeiders meldt de minister dat er 22.000 meldingen bij het Project Duitse Compensatie Dwangarbeid zijn binnengekomen. Thans zijn er 13.000 volledig ingevulde claims naar Genève doorgezonden ter verdere behandeling. Deze claims zijn marginaal getoetst op compleetheid. Naar schatting zullen slechts 5 tot 10% van de Nederlandse aanvragers uiteindelijk in aanmerking komen voor compensatie uit het Duitse fonds. Bij de volgende uitbetaling in juni 2002, de derde tranche, zal een aantal Nederlanders zitten.

Zoals vermeld in de brief van de minister van 25 februari 2002 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer ziet de regering geen aanleiding voor een gebaar in de richting van de voormalige dwangarbeiders.