Kamerstukken 2001

Kamerstukken en wetswijzigingen 2001

  1. Tegoeden Tweede Wereldoorlog. Brief van 16 november 2001 van de staatssecretaris van onderwijs, cultuur en wetenschappen aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.Tweede Kamer 2001-2002, 25839, nr. 27.

Sinds 1997 doet de Commissie Ekkart onderzoek naar de herkomst van de collectie van de Stichting Nederlands(ch) Kunstbezit.

In de brief van 29 juni 2001 (25839, nr. 26),waarin verwoord de reactie van de regering op de aanbevelingen van de commissie-Ekkart, geeft de regering op twee van de aanbevelingen nog geen definitieve reactie. Daarnaast wordt door de regering een voorbehoud gemaakt met betrekking tot de door de commissie-Ekkart geadviseerde ruimere interpretatie van het begrip nova.

Onderhavige brief bevat de toegezegde aanvullende regeringsreactie.

Ten aanzien van de aanbeveling die betrekking heeft op het verkopen van kunstvoorwerpen door joodse particulieren in Duitsland vanaf 1933 en in Oostenrijk vanaf 1938 zal de regering ook de verkopen die direct verband houden met het Nazi-regime in Duitsland vanaf 1933 en in Oostenrijk vanaf 1938 in principe volgens dezelfde criteria beoordelen als verkopen in Nederland vanaf 10 mei 1940. De regering staat voor verkopen in Nederland vanaf 10 mei 1940 een verruiming voor van de oorspronkelijke aanbeveling. Zij wil niet louter de verkoop door Joodse particulieren in principe als onvrijwillig beschouwen maar ook die door andere bevolkingsgroepen. Daaronder worden verstaan Sinti en Roma en andere specifieke groepen van vervolgingsslachtoffers als bedoeld in de regeringsreactie Tegoeden Tweede Wereldoorlog van 21 maart 2000 (Kamerstukken II, 1999-2000, 25839, nr 13) en zoals nader uitgewerkt in de verschillende uitvoeringsregelingen.

Aangetekend moet overigens worden dat in het herkomstonderzoek nu al rekening gehouden wordt met feiten en omstandigheden die zich vóór mei 1940 hebben afgespeeld.

Het algemene regeringsstandpunt, waaraan de commissie-Ekkart zich overigens ook gebonden acht, is dat het rechtsherstel niet wordt overgedaan. Wel gaat de regering ervan uit dat de adviescommissie restitutieverzoeken oorlogskunst, indien zij in het kader van de advisering over een concreet geval van mening is dat er eertijds gedane aanbiedingen apert onzorgvuldig zijn afgewikkeld, dat in haar advies zal betrekken.

  1. Indische tegoeden. Uitkeringsreglement individuele uitkeringen Stichting Het Gebaar.

Staatscourant 20 november 2001, nr. 225.

De Nederlandse regering blijkens de brief van de Minister van VWS aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 12 december 2000 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 25 839, nummer 21), als erkenning van achteraf geconstateerde teveel formalisme, bureaucratie en vooral kilte in het rechtsherstel en vermoedelijk tekortkomingen in het Indisch rechtsherstel in combinatie met diverse andere problemen waarmee de oorlogsslachtoffers zich na de Japanse bezetting in Nederlands-Indië geconfronteerd zagen – met name de vijandige bejegening door Indonesiërs die naar onafhankelijkheid streefden en de grenzen die de ontwikkeling in de periode tot aan de soevereiniteitsoverdracht hebben gesteld aan het rechtsherstel – acht een gebaar op zijn plaats en heeft dientengevolge gelden ter beschikking gesteld teneinde recht te doen aan de kritiek op de bejegening van de betrokken oorlogsslachtoffers in het rechtsherstel en de gevolgen die dat heeft gehad voor hun verdere bestaan; Om het geld dat door de regering ter beschikking is gesteld te verdelen is de Stichting Het Gebaar opgericht. Deze heeft op 20 november 2001 een Uitkeringsreglement individuele uitkeringen opgesteld. (zie elders in dit blad) Voor de uitkeringen ten behoeve van collectieve doelen zal het bestuur een afzonderlijk uitkeringsreglement vaststellen.

  1. Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2002. Brief van 7 november 2001 staatssecretaris van Sociale Zaken en werkgelegenheid aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Tweede kamer 2001-2002, 28000 XV, nr. 8.

In 1997 zijn door de leden Leerkes en Middel vragen gesteld over de pensioenrechten van voormalige Nederlandse SS-ers en Wehrmachtsoldaten (Tweede Kamer, vergaderjaar 1996-1997, Aanhangsel, nrs. 1094 en 1095).

Deze vragen hadden betrekking op de eventuele dubbele pensioenopbouw van voormalige Nederlandse SS’ers en Wehrmachtsoldaten. In zijn beantwoording van deze vragen heeft de toenmalige staatssecretaris, tezamen met de toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken, uiteengezet dat het mogelijk is dat Nederlanders die zich in de Tweede Wereldoorlog bij het Duitse leger hebben aangesloten meerdere uitkeringen ontvangen. De situatie kan zich namelijk voordoen dat deze Nederlanders een ongevallenuitkering ontvangen op grond van het Duitse Bundesversorgungsgesetz (BVG) in verband met tijdens de oorlogsjaren opgelopen letsel, terwijl de desbetreffende oorlogstijdvakken ook tot uiting komen in de hoogte van het Nederlandse ouderdomspensioen op grond van de Algemene ouderdomswet (AOW).

Deze samenloop van uitkeringen is onder meer mogelijk doordat de AOW geen bepaling kent dat buitenlandse uitkeringen in mindering worden gebracht op het ouderdomspensioen. In hun beantwoording hebben de toenmalige bewindspersonen zich bereid betoond na te gaan wat de mogelijkheden zijn om een dergelijk anticumulatieregeling tot stand te brengen, zodat de samenloop van uitkeringen alsnog ongedaan gedaan zou kunnen worden.

Wel is daarbij gewezen op de complicatie dat ook Nederlanders een BVG-uitkering ontvangen die niet in het Duitse leger hebben gediend. Om tot een effectieve anticumulatieregeling te kunnen komen is het dus noodzakelijk dat de Duitse instanties op basis van hun archiefbescheiden een onderscheid kunnen maken tussen de hier bedoelde groep van Wehrmachtsoldaten en oud-SS’ers, en overige personen die een uitkering ontvangen op grond van de Duitse BVG.

Tot slot hebben de toenmalige bewindslieden opgemerkt dat op grond van het Duitse recht het recht op de ongevallenuitkering krachtens het BVG wordt beëindigd, als blijkt dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan misdaden tegen de menselijkheid.

Langs diplomatieke weg is met de Duitse autoriteiten overlegd welke gegevens beschikbaar zijn en onder welke voorwaarden deze aan de Nederlandse autoriteiten kunnen worden overgelegd.

Duitsland bleek alleen maar de gegevens te kunnen leveren van alle in Nederland wonende gerechtigden op een BVG-uitkering, zonder dat een onderscheid kan worden gemaakt tussen personen die zich bij het Duitse leger hebben aangesloten en andere uitkeringsgerechtigden. Bovendien is deze gegevensverstrekking aan zoveel voorwaarden verbonden dat deze lijst niet gebruikt kan worden voor de beoordeling van recht op ouderdomspensioen ingevolge de AOW. Duitsland was slechts bereid de desbetreffende lijst aan Nederland te overhandigen in het kader van de vervolging van oorlogsmisdadigers.

De desbetreffende lijst van BVG-gerechtigden is door de Duitse autoriteiten rechtstreeks ter beschikking gesteld aan het Ressortparket van het Openbaar Ministerie voor oorlogsmisdrijven tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het Openbaar Ministerie kan nagaan of er op deze lijst personen voorkomen die te boek staan als oorlogsmisdadiger. Indien wordt vastgesteld dat op de lijst inderdaad personen voorkomen die verdacht worden van oorlogsmisdaden, wordt dit aan de Duitse autoriteiten medegedeeld. In dat geval zijn de Duitse autoriteiten op grond van de BVG verplicht de uitkering krachtens de BVG in te trekken.

Op deze wijze wordt een einde gemaakt aan de situatie waarin van oorlogsmisdrijven verdachte personen zowel een Duitse ongevallenuitkering ontvangen, als een Nederlands ouderdomspensioen, op basis van tijdvakken gelegen in de Tweede Wereldoorlog.

  1. Instelling Commissie Rechtsherstel Homoseksuelen Tweede Wereldoorlog. Staatscourant 15 november 2001, nr. 222.

Met de brief van 21 maart 2000 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 1999/2000, 25839, nr. 13) over de Tegoeden Tweede Wereldoorlog heeft de regering gereageerd op de rapporten van verschillende onderzoekscommissies over het lot van vervolgingsslachtoffers en de rol van de Nederlandse regering na de Tweede Wereldoorlog. Erkend werd dat het rechtsherstel naar de huidige opvattingen formalistisch, bureaucratisch en kil is uitgevoerd.

Ten aanzien van homoseksuelen werd aangekondigd, dat de regering in overleg met de betrokken groepering zal nagaan in hoeverre nadere geschiedschrijving noodzakelijk mogelijk is. Eind 2000 en begin 2001 heeft hierover overleg plaatsgevonden tussen het ministerie van VWS en vertegenwoordigers van het Breed Homo/Lesbisch Platform. Dit heeft geresulteerd in voorstellen voor nader onderzoek naar de positie van homoseksuelen in de periode rond de Tweede Wereldoorlog, voor de reconstructie van de Schorerbibliotheek en voor het levend houden van de aandacht voor de repressie waarvan homoseksuelen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog slachtoffer zijn geweest.

Daarop heeft het kabinet besloten om voor de uitvoering van beleid in het kader van de Tegoeden Tweede Wereldoorlog voor homoseksuele vervolgingsslachtoffers voor deze onderwerpen eenmalig ƒ 3,5 miljoen (€ 1.588.231) beschikbaar te stellen en tevens om een onafhankelijke commissie in te stellen. Deze zou de opdracht moeten krijgen om de bovengenoemde voorstellen te toetsen op kwaliteit en noodzakelijkheid en op basis daarvan een opzet voor een onderzoeksopdracht te formuleren (Kamerstukken II, 2000/2001, 25 839, nr. 24). Deze kabinetsvoornemens zijn ook opgenomen in de nota Homo-emancipatiebeleid die het kabinet in februari 2001 aan de Tweede Kamer heeft aangeboden (Kamerstukken II, 2000/2001, 27 017, nr. 2).

Met onderhavige instellingsregeling wordt dit voornemen geëffectueerd.

De commissie zal aan de minister voorstellen doen voor de uitvoering van het beleid. Het beleid bestaat uit drie onderdelen: nader onderzoek naar de positie van homoseksuelen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, de reconstructie van de Schorerbibliotheek en het treffen van een voorziening om de onderzoeksresultaten, de bibliotheek en ander cultureel erfgoed toegankelijk te maken. De commissie gaat hierbij uit van de voorstellen, die namens het Breed Homo/Lesbisch Platform terzake zijn gedaan en beschreven door mw. dr. J. Schuyf en prof. dr. R. Tielman in de notitie ‘Materieel rechtsherstel homoseksuelen’ van 17 november 2000.

Daarbij doet de commissie een suggestie voor de verdeling van het beschikbare budget over de drie onderdelen van het beleid. In het overleg over de nota Homo-emancipatiebeleid op 2 juli 2001 heeft de Tweede Kamer erop aangedrongen om bij de besteding van de middelen het accent te leggen op ‘het wakker houden van de herinnering door middel van expositiefaciliteit’. Toegezegd is deze wens aan de commissie over te brengen (Kamerstukken II, 2000/2001, 27 017, nr. 4). De commissie zal derhalve de huisvesting van het Internationaal Homo/Lesbisch Informatiecentrum en Archief betrekken bij de vormgeving, organisatie en locatie van een voorziening die voor het publiek toegankelijk is. Omdat dezerzijds slechts een eenmalig bedrag beschikbaar is, zal met het oog op de levensvatbaarheid van die faciliteit ook bezien moeten worden hoe een voldoende structurele financiering zonder de bijdrage vanuit dit kader kan worden geregeld.

Omdat de taak van de commissie zowel historisch onderzoek als cultureel erfgoed en een expositiefunctie betreft, bestaat de commissie naast de voorzitter uit twee deskundigen op deze terreinen.